Artikelindex

23ste Zondag door het Jaar

Jezus deed wonderen; dat Hij zieken genas staat vast. Hij maakte er naam en faam mee. De meeste mensen zagen daarin een bewijs dat Hij de beloofde gezant van God was, de Messias. Wanneer die zou komen dan zouden de grote beloften in vervulling gaan, zo had de profeet Jesaja geschreven. "Dan worden de ogen van de blinden geopend en de oren van de doven geopend".
De doofstomme wordt niet nader bekend gemaakt; wel de plaats waar de genezing gebeurt. Het is Dekapolis, een heidense streek aan de grens van Palestina. Het is een heiden die genezen wordt.
De vermelding van de heidense streek is geen plaatsaanduiding, maar een zinvolle omstandigheid.
Herhaaldelijk wordt in het evangelie immers vermeld dat de joden weigerden het evangelie te aanvaarden, maar dat het snelle verspreiding kende onder de heidenen.
Marcus, die schreef omstreeks het jaar 70, beschrijft hier eenvoudig wat hij zag gebeuren in zijn tijd.
Een doofstomme is een gehandicapte omdat hij niet kan horen of spreken. Maar in de taal van de bijbel is ieder mens zo, die het woord Gods niet kan horen en geen weet heeft van het evangelie.
Jezus stak hem de vingers in de oren en raakte zijn tong met speeksel aan. Dan sloeg Hij de ogen ten hemel en sprak:" Effata, ga open". Dit is heel eenvoudig de beschrijving van een doopselritus. Wij vinden die nog terug in onze doopselviering. In onze doopselviering van nu raakt de priester de oren en de mond van het kind aan.
God maakt dat de dopeling zijn oren opengaan, zodat hij kan luisteren naar Jezus' evangelie, en hij wordt in staat gesteld om normaal te spreken, dit is, om te spreken als een gelovige.
In het kader van het evangelie zijn die wonderverhalen heel belangrijk. Ze maken mee de kern uit van de Blijde Boodschap. Wij, van onze kant, raken altijd zo in verlegenheid met die verhalen. Laat het dan nog allemaal zo gebeurd zijn, het staat toch ver van ons af. De kans is groot dat de wonderverhalen voor ons concrete geloofsleven eigenlijk niet veel betekenen. Dat is jammer. Want het hangt er allemaal van af hoe we die verhalen benaderen.
Om te beginnen - het hoort tot 'het geloof' - dat wonderen wél mogelijk zijn!
Waar de Heer werkelijk toegang krijgt tot ons bestaan, kunnen dingen gebeuren die we eerst niet voor mogelijk hielden. Vaak vragen we om hulp in onze gebeden, "Vader, help me alstublieft". Maar we zijn niet altijd bereid de hulp die we krijgen te zien als de tussenkomst van de Heer.
We vragen ons af:"Waarom geeft God niet het wonder, t.t.z. datgene waar ik om verzoek? We proberen God voor te houden wat we nodig hebben.
Hij weet dat immers beter dan wij! Daarom zouden we Hem beter wat meer vertrouwen.
We moeten enkel bereid zijn het wonder dat God ons geeft te ontvangen. We kunnen bidden: "Vader, help me dit probleem in mijn leven niet door mijn ogen te bekijken, maar het te zien zoals U het ziet. Help me dit te zien met evenveel liefde voor mezelf als voor alle andere betrokkenen" Dat is een krachtig gebed.
Als we God om hulp vragen erkennen we dat er een macht bestaat die groter is dan onszelf. Daarmee geven we ook aan dat we met Hem willen meewerken om bijvoorbeeld een conflict in ons leven achter ons te laten.
Als we bereid zijn wat God ons geeft in ons hart te aanvaarden (ook al ziet het er anders uit dan we verwachtten), dan voelen we het wonder en weten we dat wonderen bestaan.
Aan het eind van het evangelie zegt Marcus:"Hij heeft alles welgedaan. Hij laat doven horen en stommen spreken". De mensen waren blij verrast om wat Jezus deed. Dat is ook de diepste ervaring van een gelovig leven; het evangelie van Jezus herkennen als Blijde Boodschap.

Vera Struyf