Artikelindex

27ste ZONDAG door het jaar - Gave en Overgave - 2 oktober 2011

Oktober noemen we vanouds de wijnmaand, en in de lezingen gaan we vandaag tweemaal op bezoek in een wijngaard. Twee verhalen over een wijngaard met een goede 500 jaar tussen, en tweemaal loopt het faliekant af. Tweemaal heeft de wijngaardenier er alles op gezet om een mooie oogst binnen te halen, en tweemaal ziet hij zijn mooie dromen in rook opgaan.
Twee eigenaars hebben op geen kosten of moeite gekeken om van hun wijngaard een model te maken: een stevige omheining, de stenen weg geraapt om het bewerken te vergemakkelijken, uitgelezen wijnstokken geplant, een wachttoren gebouwd om alles te beveiligen, ja zelfs een perskuip in de wijngaard zelf om de druiven het transport in het warme weer te besparen, ja, echt niets is aan het toeval overgelaten, noem maar wat op en ze hebben eraan gedacht. Wat had ik nog meer kunnen doen, zegt de vriend uit het eerste verhaal. Er blijft nu alleen nog het hoopvol uitkijken naar de oogst, voor elke wijnbouwer een moment van angstige spanning. Want tot op het laatste moment kan er nog zoveel misgaan: langdurige  regens, een stevige hagelbui, schimmelziekte: elke morgen kijkt de wijnbouwer met een bang hart naar de lucht en naar de grond.
En hoe vergaat het de eerste wijnbouwer? De vriend in het verhaal blijkt nu de verteller zelf te zijn. Zijn druiven willen maar niet rijpen, het blijft bij verzuurde bessen.  En daarmee komt meteen de aap uit de mouw, want zijn toehoorders kunnen er niet vrijblijvend bij staan te luisteren, hij nodigt ze uit om een oordeel uit te spreken, een standpunt in te nemen, want zij spelen zelf ook een rol in het verhaal, de parabel gaat over henzelf, het Joodse volk. Wat had ik nog meer kunnen doen dat ik niet gedaan heb? Vraagt de wijnbouwer, en nu blijkt dat hij het in zijn verhaal eigenlijk heeft over de relaties van God met zijn uitverkoren volk.
Jesaja vertelt zijn verhaal in de periode vóór de ballingschap en het stelt in het vooruitzicht wat er zou kunnen gebeuren als het roer niet omgegooid wordt. Niets blijft er over van die mooie wijngaard: de omheining moet er aan geloven, muren worden gesloopt, de wijngaard wordt kaalgevreten en geraakt verwilderd, alles overwoekerd door doornen en distels. Allemaal beelden die de nakende ballingschap voor ogen halen.
Als Jezus later het wijngaardverhaal vertelt dat Matheus opgetekend heeft, dan is Hij natuurlijk vertrouwd met het verhaal van Jesaja: Hij kent zijn klassiekers, en zijn Joodse toehoorders kunnen zeker zelf ook wel het verband leggen.
Maar Jezus geeft meteen ook een andere wending aan Jesaja’s verhaal. Want hier is met de oogst alles wel in orde, alles heeft meegezeten zodat er nu rijpe, gezonde druiven aan de stokken hangen en het komt er alleen nog maar op aan om die in goede omstandigheden binnen te halen.
Maar dat hebben de pachters ook wel in de gaten, aan het loon dat ze mogen verwachten hebben ze niet genoeg. De verleiding om de verlokkende oogst in eigen handen te houden is te groot en ze smeden snode plannen. De dienaars die door de landeigenaar uitgestuurd zijn moeten het bekopen: de een wordt mishandeld, een ander gedood of gestenigd. En als daarna een sterkere ploeg met meer gezag uitgestuurd wordt die mogelijk meer indruk zal maken, loopt het even verkeerd af.
Maar de landeigenaar geeft niet op, hij wil alles op alles zetten, alles proberen. Dan maar zijn eigen zoon er op afgestuurd, maar de werkers zijn daar niet door afgeschrikt en ook die moet het ontgelden.
Op het ogenblik dat Jezus zijn verhaal vertelt, heeft het nog de waarde van een verwittiging, een waarschuwing. Wanneer Matheus zijn evangelie later neerschrijft, heeft zijn gehoor natuurlijk ook al vlug begrepen waar het om gaat: zij weten wat er ondertussen met Jezus gebeurd is.
Het aanbod van God blijft aanbod: wie het verwerpt zal ermee moeten leven dat het aan anderen aangeboden wordt. En dat steekt natuurlijk bij het uitverkoren volk dat rekent op een voorkeursbehandeling, terwijl het alleen maar een grotere verantwoordelijkheid draagt.
In het eerste verhaal loopt het met de wijngaard uit op een mislukking: als er niets verandert, loopt alles dood. Het tweede verhaal leert ons dat God onuitputtelijk is in zijn aanbod: alleen de bestemmeling verandert als de eerste niet meewil.
Het aanbod van God is er: vraag is hoe wij ermee omgaan, hoe kan het wel goed lopen met de wijngaard?
Wat leren wij uit deze twee verhalen, hoe gaan wij om met de wijngaard van de Heer? We kunnen er heel wat uit opsteken.
Onze verantwoordelijkheid voor de schepping springt er uit, maar werken alleen is niet voldoende. Onze arbeid leren wij beleven als een beroep, een roeping. En wie zijn inspanningen alleen maar op zichzelf gericht houdt, schiet tekort. Heel ons werk in de wijngaard moet ook ten dienste staan van de medemens, de samenleving, ja van de Schepper.
Onze aanwezig zijn in de wijngaard, ons leven kunnen we dus in dankbaarheid aanvaarden en er tegelijk een gave en een opgave in zien, er in eerbied leren mee omgaan.
Het komt er niet alleen op aan wat we presteren als mens, we kunnen er een diepere zin in leggen door het te beleven als een lofbetuiging aan de Schepper en het ten dienste te stellen van onze medemensen.  
Dat zal ons in staat stellen de diepere vreugde te vinden die we nergens anders kunnen vinden en die niemand ons kan ontnemen, dat maakt van ons dankbare mensen die in hun leven Gods vrede hebben leren ontdekken: maar dan niet om die om die alleen maar veilig en achter slot te bewaren en op te bergen in ons eigen hart.

Bert Taeymans