Artikelindex

 

 

MARIA TEN HEMEL OPGENOMEN- 15 augustus 2012

 

 

Het begon allemaal met een engel die uitgestuurd werd met een boodschap, naar een vrouw in Galilea, in Nazaret. Een vreugdevolle boodschap, want de engel zegt meteen: “Verheug u, want je hebt genade gevonden bij de Heer”. Niet zo’n heel gewone boodschap, en Maria raakt dan ook helemaal in verwarring als de engel haar vertelt dat ze in een kind in haar schoot zal dragen,  en ze krijgt ook de naam al mee: Jezus, zijn moeder zal drager worden van de belofte. Maria stemt toe: een vraag en een antwoord, bereidheid en openheid. Zij is er klaar voor, God mag thuiskomen bij haar.
Een vrouw in verwachting die een andere vrouw gaat opzoeken die dezelfde hoop in zich draagt: twee vrouwen die met elkaar hun diepste vreugde willen uitwisselen: “Waaraan heb ik het te danken dat de moeder van mijn Heer tot Mij komt? Gelukkig ben je dat je geloofd hebt wat je vanwege de Heer gezegd is!”, jubelt Elisabeth.  En Maria zingt terug: “Met heel mijn adem juich ik om God, want Hij heeft neergezien op zijn kleine dienstmaagd, en al wie gering is zal Hij opwaarderen.”
Wat daarna zal volgen is niet altijd over rozen wandelen. Kleine en grotere beproevingen staan op de loer. Want nauwelijks is het kind ter wereld gekomen in wel heel ongewone omstandigheden of het zal met zijn ouders het lot moeten delen van zovele van onze tijdgenoten tijd: in der haast alles bijeenpakken en op de vlucht slaan naar een vreemd land. Pas later zullen ze kunnen terugkeren naar het stadje waar het allemaal begon: Nazaret. Dat is toch al een beetje thuiskomen.
Dan volgen de jaren van opgroeien: zoals bij elk kind heeft de moeder het leren lopen, zoals wij hier in de kerk kunnen zien.
Maar elk kind zoekt zijn weg, en dat is niet altijd zoals de ouders het zich hadden voorgesteld: er was de gezamenlijke bedevaart naar Jerusalem, waarbij Jezus meent dat Hij in het huis van zijn Vader pas écht kan thuiskomen. Wat de ouders vertwijfeld doet op zoek gaan.
En dan volgen zijn eerste stappen in het openbare leven: in Kana wordt in blijheid een huwelijk gevierd, tot blijkt dat men zich ernstig misrekend heeft in  de drankvoorraad. Maria krijgt niet dadelijk gehoor bij haar Zoon,  maar in groot vertrouwen zegt ze toch maar: “Doe maar wat Hij u zeggen zal”. En het feest kan verder gaan, want waar Jezus aanwezig is, kan de genade rijkelijk stromen!  Met Hem zijn de Messiaanse tijden immers aangebroken!
Maar de familie wordt toch een beetje ongerust en begint zich vragen te stellen als Hij gaat preken en zieken geneest en soms wat in botsing komt met de gevestigde machten.  En Maria krijgt een afvaardiging mee om eens te gaan polsen naar zijn bedoelingen.  “Uw moeder en familie staan daar buiten en zij vragen naar U”, zo wordt Hij gebriefd. “Mijn moeder en mijn zusters en mijn broeders zijn zij die naar mijn woord luisteren en het onderhouden” klinkt het antwoord. Maria voelt dat haar zoon stilaan uit de handen glipt, dat ze Hem moet loslaten. Ervaring waar ouders van oproeiende kinderen kunnen over meespreken.
Maar haar Zoon zet zijn weg consequent verder, zijn oproep en zijn handelen brengt Hem in conflict met de heersende machten: genezingen op sabbat: regels zijn niet absoluut, mogen nooit  de mens achter elke situatie te vergeten; werken voor het oog van de mensen krijgt in zijn ogen geen genade, de kleinen en de geringen moeten voorrang krijgen en er is ook meer vreugde in de hemel om één zondaar die zich bekeert  dan  om 99 rechtvaardigen die het niet nodig hebben.  Als een ver echo klinkt hier het magnificat dat Maria bij Elisabeth zong.
Loopt het nu allemaal uit op een fiasco? Zo lijkt het wel. Opgepakt als een misdadiger  en aan het kruis geslagen. En Maria staat daar weer: krijgt nog de opdracht mee om over Johannes en de volgelingen te waken als een moeder: “ziedaar uw zoon”. Nu komt zij  thuis bij haar lijdende Zoon, later zal zij zijn verhakkelde lichaam weer in haar schoot opvangen: zo was het ook begonnen.
Maar uit wat ogenschijnlijk uit en voorbij was, groeit een nieuwe, verrassende toekomst:  er gaan verhalen dat Hij leeft, vrouwen en leerlingen ontmoeten Hem bij het graf, de vertwijfelde Emmaüswandelaars weten niet wat zij meemaken, in de zaal van hun samenzijn wordt Hij gezien. Het evangelie verhaalt niet dat Maria Hem ook te zien kreeg: zijn moeder en broeders en zusters zijn immers zijn volgelingen. Maria heeft nu afstand gedaan van haar Zoon, hij behoort nu toe aan al wie Hem wil volgen.
Maar zij blijft haar moederrol trouw, zoals ze die bij het kruis gekregen heeft. Zij wordt het hart, de ziel van de bang samenzittende leerlingen in afwachting van de komst van de Geest, hier groeien de kiemen van de kerk die op weg is naar Pinksteren, dat wordt het moment om onbevreesd naar buiten te komen.
Pas nu krijgen alle stukjes van de puzzel hun eigen plaats en betekenis: het is maar als de hele puzzel gelegd is dat je een globaal overzicht krijgt, de losse stukjes waren vooraf soms niet te begrijpen. Vandaag vieren wij haar verheerlijking, in de orthodoxe kerk spreekt men van het feest van de ontslaping van de Moeder Gods.
Zij mag nu ten volle thuiskomen bij de Vader en bij haar Zoon, zijn werk is nu in handen gegeven  van de Heilige Geest, die moet het voleinden.
En haar moederlijke opdracht? Die loopt nog altijd verder. Want als  de weg naar haar Zoon ons soms wat moeilijk valt, als we wat te veel naar onze woorden moeten zoeken en ons hart graag in alle eenvoud willen uitstorten, dan kunnen wij bij haar terecht. Want daar vinden wij een echte moeder, net zoals een eigen moeder. En vandaag vieren wij ook het feest van ons thuiskomen, thuiskomen bij de moeder, zoals zij ook is thuisgekomen bij de Vader en haar Zoon. Als wij langs haar gaan, lijkt de weg soms wat korter.

 

Bert Taymans