Artikelindex

 

 

 

 

Allerzielen - 2 november 2012  Bladeren, vallend in Gods handen

 

Wij mensen hebben een band met het verleden. Wij zijn geen mensen van één moment, ons leven komt ergens vandaan, en wij steken onze handen uit de mouwen om morgen te kunnen leven.
Ons verleden dragen wij in ons mee, wij zijn ook een beetje het product ervan, en daarom kunnen wij het ook niet loslaten.  Dat geldt voor onszelf, maar ook voor de hele maatschappij.
Elke stad heeft wel enkele musea waar dat verleden  te bekijken valt, en haast elk dorp heeft wel een heemkundige kring waar dat eigen verleden met de nodige zorg gekoesterd wordt.
Sommige mensen zijn echt gebeten  verzamelaars, je kunt zo gek niet  bedenken of er is wel iemand die er brood, in ziet om het te bewaren. 
Maar ieder van ons heeft wel ergens een schuif, een kast of zelfs een kamer waar we ‘herinneringen’ in bewaren: dingen die we voor geen geld van de wereld zouden willen wegdoen. Sommige voorwerpen hebben geen echte waarde, en misschien hebben ze al wel enkele keren in handen genomen om ze weg te gooien, maar toch kregen we dat niet over ons hart en hebben ze we teruggelegd. Je weet maar nooit dat je er later spijt van zou krijgen.
Is het dan niet eigenaardig dat we hier in de kerk op een heel andere golflengte zitten ? Want in gebeden en lezingen hebben we het niet zozeer over het verleden, maar over de toekomst. Over de toekomst van onze doden: over het nieuwe leven dat ze binnengingen, over  thuiskomen, over het koninkrijk dat hun wacht.
Statistieken vertellen ons dat heel wat mensen daar niet voor openstaan of dat ze minstens grote twijfels hebben. Bewijzen, zwart op wit, zijn er ook niet, maar onze geloofsgemeenschap vertrouwt op het woord van de Heer. De wetenschap kan ons hier geen antwoord geven: zij kan enkel leven en dood beschrjiven en verklaren, maar het zoeken naar de zin ervan ligt buiten haar domein. In geloof vinden wij dat  het mysterie van leven en dood zijn nauw met elkaar verbonden zijn.
De betekenis van de dood kunnen wij  wel kennen vanuit onze eigen ervaring bij de dood van een geliefde. Je hebt er allicht alles voor gedaan wat in je mogelijkheden lag: bij het ziekbed thuis of in de kliniek, je wou er zijn voor haar, voor hem. En je zou willen dat je het nog kon doen als je alsnog de kans ertoe kreeg
Die drang om er te zijn voor een geliefde leeft sterk in ons, zit diep in ons hart. Is het niet God zelf die dat mooie kleinood in ons hart heeft neergelegd? Is het misschien omdat Hijzelf er wil zijn voor ons, zoals Hij het aan Mozes zegde bij het brandende braambos? Is het niet omdat Hij ons in zijn handen houdt dat wij, die naar zijn beeld zijn geschapen, het op dezelfde manier aanpakken?
We zouden willen zijn wat Hij is: er zijn voor de geliefde. Vandaar ook de pijn omdat dat ons niet meer mogelijk is,  omdat, geleidelijk of onverwacht,  de banden zijn doorgesneden.  En daaruit groeit bij ons de hoop, soms ook wel de zekerheid, dat Hij dat wel kan, het vertrouwen dat God op een voor ons onbegrijpelijke wijze onze liefde overneemt en voor hen zorgt.
Dat proberen wij ook uit te drukken door allerlei symbolen die wij gebruiken  bij een  afscheid, bij een ziekenzalving:  een handdruk, een kruisje geven,  zalven met olie, een handoplegging, een brandende kaars bij een foto.
Sommige van die symbolen kennen  we ook van bij een doopsel: geboorte en dood zijn innig met elkaar verbonden. Kracht en licht voor een kind om het leven binnen te treden, kracht en licht voor de zieke om over te gaan naar een ander, nieuw en  eeuwig leven.
Ook in de natuur herkennen wij in dit seizoen de kring van het leven: afstervende, vallende bladeren, beeld van ons eigen, stilaan loslaten van het leven. Maar we vertrouwen er op dat God die vallende levens met veel zorg en liefde in zijn zachte handen zal opvangen.

 

 

 

Bert Taymans

 

 

 

St.-Paulusgemeenschap Malle - Zoersel