Artikelindex

 

 

  

30ste zondag door het jaar B  28 oktober 2012   

 

Deze passage uit het evangelie van vandaag heeft plaats tijdens de laatste doorreis van Jezus vanuit Galilea naar Jeruzalem waar Hij de kruisdood zal sterven. Het is de laatste rechte lijn van Jericho naar Jeruzalem. Het is ook een symbolische weg: Jericho, ligt onder de zeespiegel  en staat voor een stad van verderf, en het is steil klimmen tot aan de poorten van Jeruzalem, symbool voor het hemelse Jeruzalem.

Tot driemaal to heeft Jezus onderweg een lijdensvoorspelling gemaakt, die telkens botste op ongeloof en onbegrip vanwege de apostelen en leerlingen. Zij blijven zich vastklampen aan het idee van een aards koninkrijk waar postjes voor hen gereserveerd zijn. Nochtans heeft Jezus hen duidelijk op de werkelijkheid gewezen: zij die hem volgen zullen het koninkrijk Gods binnentreden, maar van lijden en vervolging zullen ze niet gespaard blijven. Dit maakt de volgelingen ongerust en neerslachtig en verscherpt nog meer de eenzaamheid en verlatenheid die op Jezus drukt.

In schril contrast staat de houding van Bartimeüs. Bartimeüs is feitelijk de ‘modelvolgeling’ en het loont de moeite dit van naderbij te bekijken.

Zijn blindheid plaatst hem niet alleen in de duisternis maar ook aan de zelfkant van de maatschappij. Zijn eenzaamheid en lijden hebben hem gerijpt en hij ‘ziet’ wat de leerlingen nog niet kunnen zien: hij ‘weet’ dat Jezus de Messias is , en hij noemt hem dan ook ‘Zoon van David’. Hij beschouwt Jezus ook als zijn persoonlijke verlosser: ‘Heb medelijken met mij.’ Deze houding is de basis van het christelijk geloof.

Hij ‘verkondigt’( weer een kenmerk van de gelovige ) dit luidkeels, tot groot ongenoegen van de menigte, die zulke acclamatie zeker niet op prijs stelt en hem het zwijgen wilt opleggen.
Maar Jezus reageert onmiddellijk en richt zich tot de menigte en beveelt hen: ‘ roept hem eens hier’, waardoor hij ze dwingt van houding te veranderen tegenover de arme blinde.

Na zijn luidkeelse geloofsbelijdenis, voegt Bartimeüs de daad bij het woord. ‘Hij werpt zijn mantel af’ , zijn enig bezit, maar ook symbool van het oude leven van zonde en miserie, en ‘springt overeind en komt naar Jezus toe’, zonder aarzelen stapt hij naar het onbekende.
Na het bijna rituele dialoog ‘Wat wilt ge dat ik voor u doe?’ en ‘Heer, maak dat ik zien kan!’, en het even vertrouwde antwoord van Jezus: ‘Ga, uw geloof heeft u genezen’, ‘sluit Bartimeüs zich aan bij Hem op zijn tocht.’
Hij is nu een volwaardige volgeling van Jezus.
In Jeruzalem aangekomen, zal hij eerst met palmen zwaaien, daarna zal hij  Hem van ver volgen op zijn lijdensweg en ergens in de menigte bij hem staan aan het kruis. En hij zal er ongetwijfeld ook bij geweest zijn als de leerlingen in Galilea de verrezen Heer hebben gezien. En hij zal nog luider het blijde nieuws verkondigd hebben ‘dat de poorten der hemelen voortaan wijd openstaan.’

De fundamenten van het christelijk geloof zijn : Jezus belijden als Zoon van God en als Verlosser, en het verkondigen van de blijde boodschap, namelijk dat als kinderen van de vader in de hemel worden ontvangen.

Als je met andere godsdiensten  in contact komt, gaat er van alles rammelen, je stelt jezelf vragen, over jezelf, de manier waarop we geloven, over de fond van de zaak….
Dat overkwam me toen ik onlangs voor het eerst een Aziatisch land bezocht.

 Ik neem jullie even mee naar Indonesië.
In Indonesië, dat overwegend islamitisch is, zijn alle godsdiensten officieel erkend. En wanneer het een groot religieus feest is in de ene godsdienst, bijvoorbeeld Pasen, dan komen de anders gelovige buren een bezoekje brengen met iets lekkers. Voor het Suikerfeest net hetzelfde, en zo voor alle feesten van alle godsdiensten. Is dat niet verfrissend?

Zoals verwacht in een overwegend islamitisch land, hoor je vijf maal per dag vanuit alle minaretten de luidkeelse oproep tot gebed. En toen dacht ik : weet onze omgeving nog dat christenen ook bidden? Behalve dan met Pasen op het St Pieterplein, of onze klokken op zondagmorgen? Stel je eens voor dat we onze gebeden met luidsprekers de wereld instuurden….
In Java beklommen we de indrukwekkende, in lavasteen gebouwde boeddhistische en hindoeïstische tempels. En eenmaal boven zei één van de medereizigers: waarom voel ik me hier zo benauwd? En we gingen samen aan het nadenken …. We overwogen het feit dat  je, in deze godsdiensten, het heil in jezelf moet vinden en dat je, als je het niet goed gedaan hebt,  nog eens terugkomt om het over te doen.
We waren toen plots zo blij dat wij, christenen, een Helper en Verlosser hebben, die ons is voorgegaan, dat we weten dat we een Vader hebben, die op ons wacht, en dat we weten dat we maar één leven hebben waarna we, als de tijd er is, zullen verrijzen.
Ja maar, dan rijst weer de vraag : hoe ernstig nemen we de zaak op? Hoeveel moeite doen we eigenlijk? Zorgen we ervoor dat ons leven een uniek kunstwerk, helemaal klaar om het hemels rijk binnen te treden?

In Bali vierden de Hindoes feest. Het is hier iedere maand feest, maar nu was het een groot feest. Overal witte en gele slierten en bloemen en vlaggen. Iedereen in feestkledij, beladen met manden vol bloemen en lekkers, op weg naar de tempel om dankoffers te brengen. We werden er helemaal blij van.
En hoe zit het bij ons? Iedere eucharistieviering is een feestmaal waar de Heer Jezus zelf de Gastheer is. Waar zijn onze vlaggen, en slierten, en onze feestkledij?
Ja maar, zo zijn we niet, zal men zeggen.
Willen we dan, iets discreter, er toch ieder zondag voor zorgen dat ons hart vol bloemen en slierten en op zijn best getooid naar de zondagsviering trekt?

En willen we, nu het ‘Jaar van het Geloof’ begonnen is, op het verzoek van de paus ingaan? Door ons geloof te verdiepen, maar vooral, door er over te spreken, met medegelovigen, maar ook met anders- en niet gelovigen?

 

Claudine Gunzburg