Artikelindex

 

 

 

26ste Zondag door het Jaar 30 september 2012

 

Vorige week wees Jezus zijn leerlingen terecht bij hun getwist over de voornaamste plaats in de groep;  vandaag worstelen diezelfde leerlingen met de vraag: wie hoort erbij, en wie niet?
Vandaag kunnen we de eerste lezing en het evangelie best naast elkaar leggen: twee verhalen rond een gelijkaardig conflict: wie hoort er bij en wie niet? Wie mag zich op de Geest beroepen en onder welke voorwaarden? Geroepen? Ja, maar welke vereisten vloeien brengt dat mee?
Mozes staat voor een haast onmogelijke opgave: hij moet met zijn verpauperd volk de woestijn door op weg naar het Beloofde Land, daarom heeft hij helpers nodig en die heeft hij samengeroepen om de geest over hen af te smeken. Maar op het cruciale moment verschijnen twee van zijn kandidaten, Eddad en Meddad,  niet op het appel. Toch gaan die aan de slag en zij beginnen te spreken, zich beroepend op de geest.
Ook Jezus heeft zo zijn helpers uitgestuurd en Hij heeft ze met taken bedeeld. Bij hun terugkomst zitten ze met een nieuw probleem: kan iemand die niet uitgestuurd is zich wel beroepen op de naam van Jezus om wonderen te doen? Kapers op de kust dus, oneerlijke concurrentie misschien? De leerlingen willen graag strakke lijnen: wie werkt er hier met een licentie, en wie niet?
Maar noch Mozes, noch Jezus tillen zwaar aan het voorval. Mozes zou nog het liefst hebben dat het hele volk zo zou steunen op de geest zoals ook die ‘twee onverlaten’, het zou mooi zijn als hethele volk zo aan God de plaats gaf die Hem toekomt; en voor Jezus mag het best zo zolang ze zich maar op zijn naam beroepen. Wie op mij een beroep doet, wie niets doet dat tegen Mij ingaat, zal mij niet gauw een mes in de rug steken, vindt Hij. Want die laat zich leiden door de Geest, is niet bezig met zich op de eerste rij te plaatsen.
Het gaat hier dus over de lijntjes: hoe strak mogen de lijntjes zijn die de grenzen afbakenen? En hoe zit het dan met iemand die toch buiten de lijntjes kleurt?
De kern van het verhaal stelt het gevaar van uitsluiting dus centraal. Wie Jezus volgt, heeft het recht niet om grenzen te trekken en daardoor sommige mensen zonder meer uit te sluiten of buiten beschouwing te laten. Wie kwetsbare kleinen en zwakken in de hoek dringt of tekort doet, die zit pas met een probleem want die werkt zichzelf buiten de grenzen van het rijk Gods. En Jezus heeft er zware uitspraken voor over, een molensteen om de hals: dat is niet niks: je verdwijnt dan en krijgt niet eens een respectvolle begrafenis. Elke aanleiding tot zonde moet geweerd worden, want je bent nog beter af als je verminkt door het leven gaat en zo aan de hemelpoort komt aankloppen dan dat je welk kind, welke kleine of zwakke mens ook tekort zou doen.
En in zijn brief past Jakobus  die uitspraken over de lijntjes en de grenzen toe op het dagelijkse leven.
Wie er warmpjes inzit, moet bedenken dat goud en zilver, rijkdom en mooie kleren voorbijgaand zijn, de apostel neemt hier  geen blad voor de mond: verrotte rijkdom, motten die de mooie kleren aantasten, wat er overblijft als roest zal tegen hen getuigen.
Want bij al die rijkdom zou het wel eens kunnen gaan om het loon dat aan de arbeiders toekwam en dat zij niet gekregen hebben, om rechtvaardigen die gevonnist werden  en geen verweer kregen. Al die verzamelde en opgestapelde schatten kunnen niet baten en brengen geen uitkomst.
Jezus wenst dat wij daarover voortdurend nadenken om de juiste keuzes te kunnen maken, zorgen dat wij geen onterechte afbakeningen maken tussen ons, die erbij zouden horen, en anderen, die uit de boot zouden vallen.
Mensen vormen gemeenschappen, volken, culturen waarin ze zich thuis kunnen voelen. Maar dat mogen nooit definitieve en onoverkoombare afbakeningen vormen. Wie ‘buiten het eigen kamp’ zit, heeft alle recht op respect en waardering. Dat geldt voor andere landen, culturen, andere volksgroepen, andere godsdiensten: zo is het ook een basis voor de godsdienstvrijheid, een weg om oecumenisch met hen om te gaan.
Eerder dan grenzen af te bakenen is het er om te doen ‘waterbrengers‘ te worden: “Wie niet tegen ons is, is voor ons”, zegt Jezus.  “En als iemand u een beker water te drinken geeft, omdat je van Christus zijt, zal zijn loon hem niet ontgaan”. Een eenvoudige daad, maar een die symbool staan voor een houding.
Hieruit kunnen we dan ook best besluiten : laten we dus maar ‘waterdragers’ zijn,  die in Jezus’ naam anderen te drinken geven, om in de lijn van de onderrichtingen van Jakobus, geen financiële of andere  barrières op te trekken tussen wie heeft en wie niet heeft. Al te veel mensen worden door de huidige financiële problemen helemaal naar de rand gedrukt en machteloos gemaakt.
Het gaat er dus om onszelf voortdurend kritisch onder de loep te nemen. Maar ook de media, die vandaag onder schijnwerper staan, hebben daar een maatschappelijke taak. En dat de macht van de  nieuwe media erg ingrijpend is, daar kunnen  de mensen van het Nederlandse Haren wel over meespreken.

 

Bert Taymans