Artikelindex

 

 

25ste Zondag door het Jaar 23 september 2012

 

 

De weg van Jezus als lijdende dienaar

Het evangelie van vandaag bestaat uit drie delen en bevat bij nader inzien heel wat stof tot nadenken.  Allereerst is er het onderricht van Jezus, daarna is er de tocht naar Kafarnaüm. Daar toegekomen licht Jezus zijn apostelen zijn basisleer verder toe.  Deze drie passages zijn de leidraad voor de homilie van vandaag.
Allereerst voorspelt Jezus voor de 2de maal zijn lijden, maar tevens getuigt Hij van zijn grenzeloos vertrouwen in God, zijn Vader die hem zal doen verrijzen. Kenmerkend voor het lijden van een mens is het ervaren van een verlies: verlies van een bepaald perspectief, verlies van een lang en gezond leven, verlies van een geliefde, van werk. In een dergelijke situatie ontstaat een gevoel van eenzaamheid en niet begrepen worden door zijn naasten. De ander begrijpt me niet. Deze spanning voelen we ook voor een stuk tussen Jezus en zijn apostelen, maar we herkennen dit zeker in onze eigen omgeving wanneer we geconfronteerd worden met lijden.
Tijdens de voetreis naar Kafarnaüm, stellen we inderdaad vast dat de apostelen de boodschap van Jezus niet begrijpen, en al snel overgaan tot de vragen die henzelf bezig houden. Ze vragen zich af  “wie de grootste, de belangrijkste is”. Macht en aanzien, heel herkenbaar. Denken we maar aan onze werk- en leefomgeving, de politiek, ja zelfs binnen de Kerk. Wat zijn de vragen die wij ons stellen op onze levensweg? De Franse filosoof Ricoeur heeft ons het antwoord. Hij zegt dat ieder mens op meer of minder wijze belaagd wordt door bezitsdrang, geldingsdrang en machtsdrang. We willen hebben, bezitten en liefst iets meer dan de ander. Zo krijg je het gevoel mee te tellen. Met deze bezittingen willen we de aandacht trekken. Bezit is immers ook symbool voor prestige en hierdoor bouwen we ons netwerk van vrienden en kennissen op. Vanaf nu wordt er echt rekening met ons gehouden en verkrijgen we ook macht. Natuurlijk is dit een stuk zwart - wit voorstelling. Maar vragen sommige zich af: “Is streven om de beste te worden dan niet goed?”  Jawel, we mogen en moeten onze talenten ten volle benutten maar dit wel in dienst van de gemeenschap, van allen.
Eenmaal aangekomen, geeft Jezus scherp, ontmaskerend maar vol liefde onderricht. Hij wijst dat het voorgaan in dienstbaarheid, caritas tot de ander hierbij essentieel is. Deze boodschap onderstreept Hij door een krachtig beeld: een kind te omarmen en in het centrum te plaatsen. Een kind als symbool van klein, kwetsbaar, hulpbehoevend, maar tevens onbevangen en open. Tevens confronteert het kind ons met onze eigen kern, onze eigen jeugd, onze eigen geschiedenis want we zijn immers allen kind geweest. Ieder van ons kunnen we dan vaststellen hoe onze opvoeding, onze levensloop, onze keuzes ons gemaakt hebben tot wie we zijn of net niet zijn geworden. Bij het zien van een kind denken we ook aan de krachtige, belangloze authentieke liefde van ouders voor hun kind. Dit beeld verwoordt de dichter Gerard Reve in één krachtige zin: “we moeten God liefhebben als ons kind.” Daarnaast is er de dienstbaarheid. Dit bezingen we ook ““Ubi caritas et amor Deus ibi est”. We moeten ons hoeden om ons als christenen niet te snel te verschuilen achter de structurele solidariteit in onze Westerse maatschappij. We betalen bijdragen en belastingen en de gemeenschap neemt een belangrijke rol van hulpbetoon op,  waardoor we als individu eerder onverschillig worden voor de vele persoonlijke lokale noden. Aan de andere kant houdt dienen niet per se het leveren van uitzonderlijke prestaties in. Dienen is evenmin synoniem voor slaafsheid, onderdanigheid. Het is ook geen automatische beschikbaarheid. Het is eerder gewoon doen wat gedaan moet worden op je eigen plaats binnen je eigen levenscontext, kleinschalig en effectief. Dienstbaarheid vraagt dus wel wakkerheid, vindingrijkheid en creativiteit.
De kwaliteit van onze levensweg zal zich meten aan de graad van dienstbaarheid. Dit draait onze denkwereld ,wie is belangrijk voor mij, volledig om! Voor welke medemens ben ik een ware tochtgenoot? Daarom wil ik graag afronden met een hierbij aansluitende bezinningstekst van Valeer Deschacht .

 

Tochtgenoot wordt hij die de geborgenheid van zijn aanwezigheid geeft aan wie gruwelijk vereenzaamd leeft midden mensen die alleen op zichzelf zijn bedacht.
Tochtgenoot wordt hij die perspectieven aanwijst de moeite waard om voor te leven aan wie levensmoe is en zich overbodig weet.
Tochtgenoot wordt hij die kan overtuigen dat met een groot geduld alles weer goed wordt, ook voor hem die door tegenslagen verbitterd is geraakt.
Tochtgenoot wordt hij die eerlijk zijn vriendschap toezegt aan wie ontgoocheld is over de oprechtheid van mensen en niet langer in een gegeven woord kan geloven.
Tochtgenoot wordt hij die een gevoel van beschutting geeft aan wie angstig is en zich weerloos voelt tegenover het onbekende dat hem wacht.
Tochtgenoot wordt hij die enthousiasme kan geven om het nogmaals  te wagen aan wie moedeloos na zoveel nederlagen de strijd voorgoed zou staken.

 

Rik Wyffels