Artikelindex




Zondag 32 d/h jaar  Verrijzenis 6 november '16 – C


De novembermaand, met Allerheiligen en Allerzielen, het zijn vaste ijkpunten in het najaar. Wij voelen aan dat wij overschakelen naar een ander tempo, een andere modus. Met de natuur in een soort ralenti en de vallende bladeren komen ook onze overledenen meer in  het vizier. Wij hebben het gevoel dat ze ons in deze tijd meer nabij zijn dan anders.  Het najaar is een tijd om zelf vragen te stellen als de vragen zich niet zelf opdringen. Leven en dood, hoe hebben ze met elkaar te maken? En wat daarna?
Tegenwoordig hebben we op allerlei terreinen 'ervaringsdeskundigen',   maar laat dit nu een terrein zijn waar ze ons niet veel wijzer kunnen in maken:  niemand kan uit eigen ervaring putten! Ook ons verstand en wetenschappelijk onderzoek                                moeten het hier laten afweten. Voor velen is met de dood alles gedaan, anderen  hopen nog op een of andere epiloog    
Ook in Jezus' tijd was het niet anders: de Farizeeën geloofden in een  vorm van voortleven, de sadduceeën niet. En die laatsten gingen ervan uit dat voortleven alleen maar voor problemen kon zorgen, en met hun spitsvondig verhaal over de zeven broers proberen ze het verrijzenisgeloof belachelijk te maken en Jezus in de val te lokken. Want, zo vragen ze, wie zal dan wel met wie getrouwd zijn?
Het denken van Jezus volgt een heel andere weg: voor Hem is het leven na de dood niet zomaar een verlengstuk van het voorbije leven, het gaat om een leven van een andere orde. Daar legt Hij ook de nadruk op als de sadduceeën Hem met een spitsvondige kwestie willen vastzetten.. 'In de andere wereld huwen de kinderen van deze wereld niet en worden zij niet ten huwelijk gegeven. Als  kinderen  van de verrijzenis, zijn zij kinderen van God”.
Als Jezus het heeft over de tijd na dit leven, dan bedoelt Hij: bij God zijn, Hij spreekt altijd over zijn Vader: 'Ik zal teruggaan naar mijn Vader, in het huis van mijn Vader zijn vele woningen. Waar Ik heenga, kunnen jullie nu nog niet komen.

Maar als ik weerkom, zal ik jullie meenemen tot bij de Vader'.
Sint-Paulus heeft  goed begrepen dat we over een heel andere realiteit spreken als het gaat over een leven na de dood.
“Al wat je zaait en wat rust in de grond,  openbaart door te sterven wat er verborgen in leeft.
Uit wat je zaait groeit iets heel anders dan wat het zaad deed vermoeden. Uit gras groeit geen koren en uit koren geen gras, want alle zaad kent zijn eigen wasdom., zoals ieder boom zijn eigen vrucht. Zo is het ook met de mens. Klein en teer, kwetsbaar, en voor korte tijd aan de aarde gebonden, maar door te sterven wordt openbaar wat in hem verborgen ligt: namelijk het nieuwe leven, hemels, en voorgoed geheeld”.
Nieuw leven na de dood blijkt dus van een heel andere aard te zijn, anders dan wat wij nu kennen, terwijl het toch in het verlengde ervan ligt            
Jezus heeft met zijn antwoord aan de sadduceeën geen bewijs gegeven, Hij blijft een beroep doen op het geloof.  Voor de leerlingen was het goede nieuws van Pasen na al wat er met Jezus gebeurd was, een sterke belofte van een nieuwe toekomst. En zij hadden ook af te rekenen met tegenstand: toch bleven zij hun moeilijk te verkopen boodschap uitdragen. Wat dreef hen om op straat te komen met een boodschap  waarbij ze niet met gejuich zouden verwelkomd worden? Niets, tenzij ze een heel bijzondere ervaring hadden meegemaakt: die, namelijk, dat met Jezus niet alles voorbij was, maar dat Hij  op een heel andere manier nog aanwezig

 

Bert Taeymans