Artikelindex




Zondag 32 d/h jaar  Verrijzenis 6 november '16 – C


De novembermaand, met Allerheiligen en Allerzielen, het zijn vaste ijkpunten in het najaar. Wij voelen aan dat wij overschakelen naar een ander tempo, een andere modus. Met de natuur in een soort ralenti en de vallende bladeren komen ook onze overledenen meer in  het vizier. Wij hebben het gevoel dat ze ons in deze tijd meer nabij zijn dan anders.  Het najaar is een tijd om zelf vragen te stellen als de vragen zich niet zelf opdringen. Leven en dood, hoe hebben ze met elkaar te maken? En wat daarna?
Tegenwoordig hebben we op allerlei terreinen 'ervaringsdeskundigen',   maar laat dit nu een terrein zijn waar ze ons niet veel wijzer kunnen in maken:  niemand kan uit eigen ervaring putten! Ook ons verstand en wetenschappelijk onderzoek                                moeten het hier laten afweten. Voor velen is met de dood alles gedaan, anderen  hopen nog op een of andere epiloog    
Ook in Jezus' tijd was het niet anders: de Farizeeën geloofden in een  vorm van voortleven, de sadduceeën niet. En die laatsten gingen ervan uit dat voortleven alleen maar voor problemen kon zorgen, en met hun spitsvondig verhaal over de zeven broers proberen ze het verrijzenisgeloof belachelijk te maken en Jezus in de val te lokken. Want, zo vragen ze, wie zal dan wel met wie getrouwd zijn?
Het denken van Jezus volgt een heel andere weg: voor Hem is het leven na de dood niet zomaar een verlengstuk van het voorbije leven, het gaat om een leven van een andere orde. Daar legt Hij ook de nadruk op als de sadduceeën Hem met een spitsvondige kwestie willen vastzetten.. 'In de andere wereld huwen de kinderen van deze wereld niet en worden zij niet ten huwelijk gegeven. Als  kinderen  van de verrijzenis, zijn zij kinderen van God”.
Als Jezus het heeft over de tijd na dit leven, dan bedoelt Hij: bij God zijn, Hij spreekt altijd over zijn Vader: 'Ik zal teruggaan naar mijn Vader, in het huis van mijn Vader zijn vele woningen. Waar Ik heenga, kunnen jullie nu nog niet komen.

Maar als ik weerkom, zal ik jullie meenemen tot bij de Vader'.
Sint-Paulus heeft  goed begrepen dat we over een heel andere realiteit spreken als het gaat over een leven na de dood.
“Al wat je zaait en wat rust in de grond,  openbaart door te sterven wat er verborgen in leeft.
Uit wat je zaait groeit iets heel anders dan wat het zaad deed vermoeden. Uit gras groeit geen koren en uit koren geen gras, want alle zaad kent zijn eigen wasdom., zoals ieder boom zijn eigen vrucht. Zo is het ook met de mens. Klein en teer, kwetsbaar, en voor korte tijd aan de aarde gebonden, maar door te sterven wordt openbaar wat in hem verborgen ligt: namelijk het nieuwe leven, hemels, en voorgoed geheeld”.
Nieuw leven na de dood blijkt dus van een heel andere aard te zijn, anders dan wat wij nu kennen, terwijl het toch in het verlengde ervan ligt            
Jezus heeft met zijn antwoord aan de sadduceeën geen bewijs gegeven, Hij blijft een beroep doen op het geloof.  Voor de leerlingen was het goede nieuws van Pasen na al wat er met Jezus gebeurd was, een sterke belofte van een nieuwe toekomst. En zij hadden ook af te rekenen met tegenstand: toch bleven zij hun moeilijk te verkopen boodschap uitdragen. Wat dreef hen om op straat te komen met een boodschap  waarbij ze niet met gejuich zouden verwelkomd worden? Niets, tenzij ze een heel bijzondere ervaring hadden meegemaakt: die, namelijk, dat met Jezus niet alles voorbij was, maar dat Hij  op een heel andere manier nog aanwezig

 

Bert Taeymans

 

 



 

Het volhardend gebed – LC 18,1-8 weekend 15-16.10.2016


Het thema van het evangelie gaat integraal over bidden. In het evangelie van Lucas worden we op drie plaatsen gewezen op het belang van het gebed. Er is eerst de lastige vriend die ons uitnodigt voor een dringend gebed: ‘klopt en er zal worden open gedaan’; dan is er vandaag de parabel van de onrechtvaardige rechter en de lastige weduwe, waarbij de klemtoon vooral ligt op het onvermoeibaar, volhardend bidden met geduld en vertrouwen. Direct aansluitend na de zopas gehoorde evangelietekst volgt er de gelijkenis van de Farizeeër en de tollenaar waar vooral de ingesteldheid –versta de nederigheid van het hart bij het bidden centraal staat: ‘God wees mij zondaar, genadig’, hetgeen we nog in iedere viering in het ‘Heer ontferm U’ uitspreken.
Graag wil ik met jullie het hebben over de waarde van het gebed ook in deze tijd  zelfs in deze geseculariseerde wereld, immers gebed is de ademhaling van het geloof. Geloof zonder gebed kwijnt weg.
Net zoals we de taal geleerd hebben om te spreken, worden we regelmatig geconfronteerd met ons onvermogen bij het communiceren in geloof. Ook nu moeten we de taal van het gebed leren en onderhouden. Hierbij is het meest effectief het persoonlijk gebed, maar ook het gemeenschappelijk gebed tijdens onze bijeenkomsten en in gezins- en groepsverband hebben hun waarde en plaats. Het kan met woorden maar evengoed woordeloos – in gedachten over mensen en dingen die je bekommeren en luisterend naar je diepste wensen en verzuchtingen. Door het gebed gaan wij een rechtstreekse dialoog aan met onze Vader, laten we Hem in ons hart binnen. Bidden kan via de ons aangeleerde gebeden, maar kan ook als een overschouwende dialoog. In zo’n  dialoog kan er plaats zijn voor dankbaarheid, voor terugblik – waar heb ik vandaag Gods aanwezigheid gevoeld, voor verdriet – waar heb ik spijt over, voor vergeving – hoe kan ik me verzoenen met iemand die ik kwetste en ten slotte voor een vraag naar genade voor de volgende dag.
Vandaag horen we de oproep om niet te versagen, dus bidden met aandrang en vertrouwen. Wellicht vinden we het smeekgebed eerder ongemanierd, zijn we soms bang om duidelijke vragen te stellen. Ten slotte menen we dat God onze vraag toch niet kan beantwoorden. God heeft wel compassie met ons lijden, maar mirakels doet Hij niet meer. Georges Bernanos schreef in zijn dagboek van een dorpspriester in 1936: “ De ergste onvoorzichtigheid is de overvoorzichtigheid, want ze maakt de weg klaar om God niet meer nodig te hebben.” Als je niets meer durft vragen aan een geliefde, met aandrang, ben je al afstand aan het nemen.
Evenwel blijven veel mensen met de vraag en een stuk frustratie: worden we wel gehoord, krijgen we wel een antwoord? Ook Jezus heeft dit meegemaakt toen hij in grote nood in de hof van olijven bad:’ Vader als het mogelijk is, laat deze kelk aan mij voorbijgaan’. God heeft zijn zoon niet aan het lijden voorbij geleid, maar Hem wel bijgestaan. Toch zegt Jezus bij onze twijfels: “Vraag en het zal gegeven worden. De Vader –die U lief geeft, zal de Heilige Geest geven aan wie Hem erom vragen”. Met andere woorden God schenkt ons zijn Geest, zijn levensadem – zijn manier van denken, voelen en handelen, zijn aanwezigheid in ons. Deze Geest brengt ons rust, vrede, geloof, liefde, vertrouwen, vreugde, hoop, moed, kracht en wijsheid. Door het bidden stellen we ons hart open voor Gods bewogenheid en komen we zo in beweging naar ons medemens toe. Albert Schweitzer formuleert het als volgt: ‘Gebeden veranderen de wereld niet, maar ze veranderen de mensen, en mensen veranderen de wereld.” Belangrijk is dan ook dat een authentiek gebed inhoudt dat we bereid zijn het te verlengen in ons handelen.
Graag wil ik afronden met een beschrijving van een onbekende bidder:


Ik vroeg aan God om mijn trots weg te nemen.
God zei: neen. Het is niet aan mij om hem weg te nemen.
Het is aan jou om hem op te geven.
Ik vroeg aan God om me geduld te geven.
God zei: neen. Ongeduld is het gevolg van bezorgdheid;
Geduld wordt beoefend; het wordt verdiend.
Ik vroeg aan God om me gelukkig te maken;
God zei: neen. Gelukkig worden is jouw levenstaak.
Ik wil je mijn zegen geven.
Ik vroeg aan God om mij van mijn ziektepijn te sparen;
God zei: Neen. Pijn geduldig verdragen doet groeien.
Dat kan je dichter bij mij brengen.
Ik vroeg aan God om me geestelijk te doen groeien.
God zei: neen. Groeien is iets dat uit jezelf moet komen.
Ik zal je wel snoeien zodat je beter vruchten draagt.
Ik vroeg aan God om me te helpen zoveel van mensen te houden als Hij van mij houdt.
God zei: Ah, eindelijk heb je het begrepen.

 

Rik Wyffels

 

 


 

 

 

De nauwe deur – Lc 13,22-30 weekend 20-21 augustus 2016
‘Heer, zijn het er weinig die gered zullen worden?’ Wie stelt zich vandaag nog deze vraag?
Sommigen vinden dat, als de hemel bestaat, ze er wel vanzelf zullen in komen, ‘want God is toch oneindig goed, Hij zal iedereen wel binnenlaten’. Anderen zijn ervan overtuigd dat er geen hemel is en met de dood alles afgelopen is. Inspanningen om in de hemel te komen zijn bijgevolg absurd en nutteloos. Maar de meesten houden zich niet bezig met dit soort vragen: wat doet ze ertoe, er zijn wel belangrijker dingen. Zal ik morgen nog werk hebben? Hopelijk zal ons gezin niet geconfronteerd worden met een ernstige ziekte. Hoe zal de burgeroorlog in Syrië stoppen? Kunnen we de klimaatopwarming nog stoppen ?
Maar wellicht dienen we deze vraag vandaag niet zo letterlijk te nemen: gaat het wel over het hiernamaals? Want het antwoord van Jezus slaat op het Rijk Gods, over het leven nu in de wereld van vandaag. En dan moeten we de vraag eerder verstaan als: ben ik met de juiste dingen bezig, geef ik mijn leven als christen de juiste invulling,  waar dien ik bij te sturen?
Het antwoord van Jezus is niet wat we wellicht verwachten. Het schudt ons wakker. Het is geen direct antwoord op de vraag, maar eerder een kompas dat we aangereikt krijgen. Het bestaat uit drie delen. Laten we dit eens bekijken.
Allereerst is er de aanduiding van de nauwe deur. Het is niet voldoende om zich christen te noemen, louter met de mond zijn geloof te belijden en de voorschriften nauwkeurig te volgen. Nee het vergt actie en inspanning. Hierbij is het belangrijk niet op zichzelf te focussen: persoonlijke rijkdom, macht en aanzien zijn niet de dingen waar het om gaat. Wel aandacht voor onze naasten, meehelpen aan een rechtvaardige, vredevolle maatschappij waar gestreefd wordt naar waarheid en schoonheid , waar allen een menswaardig leven kunnen leiden en zich als mens volledig kunnen ontplooien, waar liefdevol en respectvol omgaan met mekaar de norm is.
Vervolgens maakt Jezus duidelijk dat er niemand a priori uitgesloten is, maar evenzo dat er geen bevoorrechten zijn. De wijze waarop je leeft, hoe je omgaat met je talenten, hoe je meehelpt aan de uitbouw van het Rijk Gods, dat is waar het om draait.
Ten slotte is er de derde aanwijzing: de laatsten zullen de eersten zijn. Hierbij worden we andermaal gewezen op het feit dat de gangbare wereldse criteria ons niet op het juiste spoor zetten, want de wereldse rangorde wordt omgedraaid. We krijgen de aansporing om ons enerzijds te spiegelen met de zwakkeren in onze maatschappij en anderzijds ons vooral in te zetten voor deze kansarmen, zoals we dit ook reeds uitgebreid konden lezen in de bekende Bergrede, die een ware leidraad is voor ons leven.
Jezus is het ideale voorbeeld voor navolging, maar we kunnen ook terugblikken naar de vele grote en kleine heiligen. Daarnaast zijn er de vele mensen rondom ons die blijk geven van een niet berekende inzet voor anderen. Onze ouders die het beste van zichzelf gaven voor hun gezin - eenvoudig en dienstbaar, aan onze partner - trouw en vergevingsgezind, aan mensen uit onze omgeving met een luisterend oor en een zorgzame bekommernis. En dan komt de vraag: ‘wie is de mens die ik help, waar ben ik dienstbaar voor de andere?’ Vandaag worden we opgeroepen actief in te gaan op deze uitnodigende vraag.
Ik hoop dat we dan ook in deze tijd van technologische versnelling, voortschrijdende secularisatie en vele wereldproblemen voldoende tijd nemen om stil te staan bij deze uitnodiging tot positieve daadkracht, en geen tot deel uitmaken van een mogelijke  collage met bijhorende  tekstballonnen:
Een foto van een spelend kind: veel te jong om aan God te denken
Een foto van een jongere op een motorfiets: veel te zelfverzekerd om aan God te denken
Een foto van een bruidspaar: veel te gelukkig om aan God te denken
Een foto van een man aan zijn bureau: veel te druk bezig om aan God te denken
Een foto van een vrouw in bed: veel te moe om aan God te denken
Een foto van een grafmonument: veel te laat om aan God te denken.

 

Rik Wyffels

 

 

 


 

 

 

 

Maria-ten-hemel 25 augustus 2016
    
Het was allemaal begonnen op die dag in Galilea, zoals wij het vinden bij Lucas: “God zond zijn engel Gabriël naar Nazareth in Galilea naar een vrouw, Maria geheten. Hij zei: wees niet bang, Maria, God heeft je zijn gunst geschonken.  Je zult zwanger worden en een zoon baren, en je moet hem Jezus noemen. Hij zal groot worden en  zoon van  de
Allerhoogste genoemd worden.”
In zijn boekje 'In de naam van de Moeder”, tracht Erri De Luca zich het gebeuren voor te stellen zoals het in die dagen moet overgekomen zijn bij  een jonge, joodse vrouw zoals Maria.
“Ik stond recht en zag hem in het tegenlicht voor het venster staan. Ik sloeg mijn ogen neer. Ik ben een aanstaande bruid en mag mannen niet in het gelaat kijken. Zijn eerste woorden na mijn verschrikte reactie waren; 'Shalòm, Miriàm”, diezelfde woorden waarmee Jozef zich tot mij had gewend op de dag van de verloving. 'Shalóm lekhà', had ik geantwoord. Maar vandaag niet, vandaag kon ik geen lettergreep over mijn lippen krijgen, ik beleef stom staan. Dat was precies het onthaal dat hij nodig had, hij kondigde mij een zoon aan. Bestemd voor grote dingen, voor het brengen van heil, maar daaraan heb ik maar weinig aandacht geschonken. In mijn lichaam, in mijn schoot was er plaats ingeruimd. Een kleine, lemen amfoor was fris in de holte van mijn buik geplaatst”.
Een aankondiging van een wonderbare geboorte, van een bijzonder iemand.  Het overkwam ook Zacharias, de man van haar onvruchtbare  nicht Elisabeth toen die in de tempel aan het werk was. Omwille van zijn ongeloof werd hij zelfs tijdelijk met stomheid geslagen tot aan de geboorte van Johannes..
Maria wil het grote nieuws alvast gaan melden aan haar nicht Elisabeth:  het wordt  een wondere ontmoeting tussen twee aanstaande moeders. Twee moeders die de hoop van een volk in zich dragen.
Vol vreugde zingt Maria een  jubellied dat gebouwd is op heel wat thema's uit het Oude Testament: opkomen voor de zwakken,  hongerigen overladen met gaven, rijken  met lege handen wegsturen. Het komt voor als een voorafname, een blauwdruk van de lijn die haar Zoon voor zichzelf  zal uittekenen. Hij wordt de vervulling van  wat al leefde als belofte. Een lied dat geen structuren aanvaardt die mensen aan de kant zetten. Maria daagt ons hier uit als volgelingen van haar Zoon: wat doen wij daarmee?
        
    Felix Timmermans roept in  een gedicht ook Maria op, met het kind in haar schoot.  :
    “Maria zingt in gouden avondstond
    met blanke kele
    en rooden mond.
    Dan sluimert het kind in haren schoot,
    haar ogen staan van weelde groot
    en in haar mond verzoemt het wiegelied,
    maar in de schaduw sluipt de dood.
    Gelukkiglijk, dat ziet ze niet,
    dat is voort later.

 

En dat 'later' zal niet op zich laten wachten. Ook de ouwe Simeon sprak bij de opdracht de woorden: “Maar een zwaard zal uw hart doorboren”. En amper hebben de wijzen uit het oosten hun rug gekeerd, of de dood dreigt. De familie moet alles bijeenpakken en hals over kop op de vlucht slaan. Het lot van  zoveel mensen in latere tijden: we herbeleven deze dagen  hoe het onze grootouders verging in WOI, en elke dag kunnen we de vluchtelingen van vandaag zien voorbijtrekken op ons TV-scherm. Ook dat heeft de Heer dus met ons willen delen. Velen van ons hebben het ook zelf ervaren bij WO I en II.
Nogal wat dingen verlopen anders dan wat Maria zich had voorgesteld,  zij moet nog een moeilijke leerschool door, zij zal veel moeten leren begrijpen, zij moet nog groeien in haar echte rol.
Want zij begrijpt het niet als haar kleine Jezus achterblijft in de tempel, maar vooral als Jezus in het openbaar nogal tegendraads zijn eigen weg gaat, lijkt het uit de hand te lopen. Er komen confrontaties rond de sabbat, zijn genezingen, zijn omgang met randfiguren.  De familie is nogal ongerust en geschokt en stuurt een afvaardiging om dat toch eens te gaan                        checken. Zij krijgen Hem eerst niet te zien en worden een beetje afgescheept “Mijn moeder en mijn familie zijn zij die het woord van God onderhouden”.
Zij begrijpt het ook niet als Hij meer en meer in aanvaring komt  met de religieuze leiders.  Tot Jezus uiteindelijk opgepakt wordt.
Maar als het er op aankomt, als alles op een dood spoor lijkt te eindigen, dan staat zij daar, aan de voet van het kruis. Dan beseft zij hoever haar Zoon bereid was om te gaan in zijn zending, dat haar Zoon  niet alleen  háár Zoon was, zij moast Hem delen met velen. dan offert zij samen met Hem. En na zijn dood is zij samen met de leerlingen in het cenakel, wachtend op wat komen zou. Want het kan niet zijn dat het verhaal van Jezus hier zou eindigen.
Maria heeft veel moeten leren, veel moeten lijden, haar verdriet laag mee in deweegschaal. Daarom is zijn nu ook samen mét Hem  verheerlijkt: zij heeft Hem in haar schoot gedragen en heel zijn leven mee-gedragen tot in de pijnlijkste dagen. Zij is nu al thuisgekomen,  zij is een baken van hoop voor wie met Jezus op weg wil gaan.
Maar  het Magnificat blijft een programma, een te volgen weg. Hoe vertalen wij dat in  tijden van  groeiend individualisme, van ongebreidelde concurrentie, van hoge ambities en   verregaande commercialisering, van gevaarlijk racisme?
“Trotsen van hart uiteenslaan, de geringen verheffen, de hongerigen overladen met gaven.” Ook wij moeten  nog leren, nog veel groeien, net zoals Maria.

 

Bert Taeymans

 


 

 

 

De rijke dwaas  -  30-31 augustus 2016 Zondag 18 d/h jaar

 

Laten wij vandaag evena teruggaan naar de tijd dat we nog in de lagere school zaten! Af en toe werden we blij gemaakt met een nieuwe meetlat. Wat kon het leven toen simpel zijn! “Doe zoals de mieren”, stond er op. Het was een cadeautje van wat toen de “Spaar- en Lijfrentekas” heette en die wilde ons waarden als spaarzaamheid bijbrengen. Jong geleerd is oud gedaan, daar ging men van uit. Het bijbelverhaal van de 7 vette en de 7 magere jaren in Egypte heeft blijkbaar ook zijn sporen nagelaten, want statistieken vertellen ons telkens weer dat wij met onze landgenoten tot de beste spaarders van Europa behoren.

Maar statistieken zeggen meestal niet alles, de werkelijkheid is complexer. Spaarzaam zijn en denken aan de toekomst is natuurlijk een goede zaak, maar we kunnen zo sterk gegrepen zijn door de drang naar bezit dat we de zin voor relativiteit van de dingen gaan verliezen. Als we Prediker mogen geloven, dan is het omgaan met bezit en rijkdom al een heel oud probleem.

Naar eigen zeggen heeft hij moeten vaststellen dat al zijn inspanningen hem geen rust hebben gebracht. De lezing van vandaag bevat verzen uit twee opeenvolgende hoofdstukken, en als we gaan kijken naar wat hij daar tussenin vertelt , wordt het duidelijker. Al zijn zwoegen en tobben, heeft hem niets vooruit geholpen. Hij heeft huizen gebouwd en vijvers aangelegd, goud en zilver opgestapeld, zichzelf niets ontzegd, hij werd rijker dan niemand vóór hem in Jeruzalem. Maar, zegt hij, wat heb ik aan het werk van mijn handen, het is allemaal ijdelheid, jagen naar wind. Niets blijft er van in de herinering, op de duur raakt alles vergeten. Het verschaft mij geen blijvend gewin onder de zon. Als je uiteindelijk niet tot het besef komt dat alles uit Gods hand komt, dan sta je nergens.

Ook Jezus krijgt het probleem van omgaan met bezit voorgeschoteld. Iemand komt bij Hem, waarschijnlijk in de mening dat hij bij Jezus terecht kan voor een soort 'dienstbetoon'. Het gaat om een erfeniskwestie. “Zeg aan mijn broer dat hij de erfenis met mij moet delen”.

Voor Jezus is dat de gelegenheid om, aan de hand van de parabel van de succesvolle landeigenaar zijn toehoorders op hun verantwoordelijkheid te wijzen. De man had goed geboerd en zat nu met het probleem dat zijn schuren niet meer volstonden om zijn oogst te bergen. Maar geen nood, hij was ook praktisch aangelegd en nieuwe, grotere schuren zouden alles oplossen, dat lag voor de hand.

Jezus heeft geen probleem met het zorgzaam omgaan van de man met zijn oogst, maar wel tegen zijn zorgeloos vertrouwen dat hij alles naar zijn hand kan zetten en beheersen. Lucas heeft in zijn evangelie altijd veel aandacht voor de armen, en hier krijgt hij de kans om te illustreren dat de weg die de onverstandige boer volgt, een doodlopende weg is. Wie alleen vertrouwt op zijn eigen kunnen, komt bedrogen uit. De boer stapelt alles op voor zichzelf en wrijft zich in de handen in blind vertrouwen dat hij nu voor jaren veilig zit.

Met één woord rekent Jezus af met de man: “Dwaas”! Vannacht het nog is het mooie sprookje voorbij!

De parabel moet de toehoorders tot instemming brengen en tot een keuze in de praktijk aanzetten, tot bekering, tot herziening van hun manier van omgaan met bezit.

Een basiswelvaart kan mensen helpen om als mens vrijer te kunnen leven, een redelijk comfort maakt werken gemakkelijker, maar ongebreidelde luxe is een zeepbel die vroeg of laat moet uiteenspatten. Bezit en rijkdom zijn verleidelijk, want geld is macht, en daar wordt het gevaarlijk. Macht moet aangewend worden   in dienst aan de medemens, macht louter in eigen dienst is uit den boze. Want wie zich gaat vastklampen raakt verblind       en gaat voorbij aan de reële noden in zijn omgeving. Zo raakt de wereld verhard en zelf blijven we vereenzaamd achter. Overvolle schuren helpen ons niet vooruit, het komt er op aan rijk te zijn bij God, dat geeft Jezus als raad mee. Dan komen andere dingen in beeld dan bezit, meer kwetsbare waarden zoals vriendschap en innerlijke vrede. De aarde is gegeven als rijkdom aan de mensheid in haar geheel en de zorg voor eerlijke verdeling rust op onze schouders.

Een christen leert denken in ontwikkeling, in een groeiende lijn. We leerden Jezus kennen die helemaal ten onder ging in zijn kruisdood, maar daarna kwam de opstanding, er blijft zo altijd hoop op een nieuwe toekomst. En daarom blijven we planten en zaaien, oogsten en bouwen, liefhebben en geluk zoeken, het leven waarderen, want we geloven dat die lijn ons ergens naartoe leidt. Als God het ons geeft mogen we dankbaar genieten, dankbaar en tegelijk waakzaam.

We vullen onze schuren dus best met die zachte waarden als vriendschappelijke omgang, stilte, gebed, aandacht voor mensen op onze weg, open oog voor de natuur. Allemaal stappen die ons helpen ontdekken hoe wij rijk kunnen zijn bij God. En dat geeft veel meer voldoening en utzicht.

 

Bert Taeymans

 


 


 

Raadgevingen voor onderweg – Lc 10,1-11, 17-20 weekend 02-03/07/2016

 

Vandaag brengt Lucas ons het relaas van de zending van de 72 leerlingen door Jezus. Dit vormt na de zending van de 12 leerlingen, 12 symbool voor alle stammen van Israël, de 2de zending, 72 voor alle kleinzonen van Noach – of bedoeld als de zending voor de wereld.

De leerlingen worden als ijlbodes op pad gestuurd: ze zijn met relatief weinig in aantal, zonder middelen (geen beurs, reiszak, noch schoeisel), de opdracht zelf wordt als risicovol bestempeld (als lammeren tussen de wolven). In tijdsgeest van de jonge Kerk, leeft de overtuiging dat een spoedig en definitief einde van deze wereld eraan komt, het Rijk der hemelen is nabij, dus is er geen tijd te verliezen om de Blijde boodschap uit te dragen. Dit kunnen we vaststellen in de wijze waarop deze leerlingen uitgezonden worden: hou focus, laat je niet afleiden door toevallige passanten om eventueel na een uitgebreide begroeting je weg aan te passen, richt je prediking op grote groepen eerder dan op individuen en families. En dan de opdracht: ga twee per twee, niet onbelangrijk op deze manier ben je een steun voor mekaar, maar zo ben je ook levende getuige van de boodschap dat een liefdevolle relatie met de ander essentieel is. Ga naar de mensen toe, geweldloos en dus kwetsbaar – zet je in beweging en wens hen vrede en vriendschap. Beleef het leven met je medemens, ontmoet hem als gelijkwaardige. Wees dienstbaar in je ontmoeting met de andere, heb vooral oog voor de gekwetste medemens.

Deze opdracht van Jezus is ook aan ons gericht. Deze leerlingen van Jezus zijn geen professionelen in geloofsvragen. Het zijn geen rotsvaste maar zoekende gelovigen, gewone medemensen gefascineerd door Jezus’ leer, die beleven waarin ze geloven. We worden erop gewezen dat geld, bezit en dus eigenbelang en macht niet het einddoel mogen zijn, laat dit achter je. Zoek vrede, geef hoop aan mensen, help mee de wereld te vormen tot een Rijk van liefde.

En ja ook wij voelen dat we met weinig zijn, dat we arm aan priesters en kerkgangers zijn, maar liggen net niet hier nieuwe kansen? Paus Franciscus sprak vorig jaar in een priesterretraite volgende woorden: “Laat de ‘zweep’ in de sacristie en wees herders met tederheid, ook voor degenen die u het meeste problemen geven.”

Als wij als Kerk alle ballast van overdreven structuren, overtollige rijkdom, een rugzak zwaar van dogma’s en wetten overboord gooien, zouden we dan niet dichter staan aan de oorspronkelijke opdracht? Is dit niet net een oproep om in deze vakantieperiode uit onze beschutte, vertrouwde kring te durven treden, de andere gewoon ontmoeten, en door onze manier van omgang gewoon getuigen, op deze manier laten we de Goddelijke inspiratie zijn werk doen.

Graag wil ik afsluiten met een bezinning, uitgesproken in 1993, rond de Kerk van Jezus die de Franse bisschop Mgr Guy Deroubaix voor ogen had, een tekst die me doet denken aan ‘I have a dream’ van Martin Luther King, en dus in deze tijd van Paus Franciscus terug doet dromen en hopen.

Wij houden van onze Kerk met haar beperkingen en haar rijkdommen. Ze is onze moeder. Daarom respecteren wij haar en dromen wij dat zij alsmaar mooier wordt. Een Kerk waar het goed leven is, waar je kunt ademen en zeggen wat je denkt.

Een Kerk van de vrijheid. Een Kerk die luistert alvorens te spreken, die ontvangt alvorens te oordelen, die vergeeft zonder te willen veroordelen, die eerder verkondigt dan aanklaagt.

Een barmhartige Kerk. Een Kerk waar de eenvoudigste broeder verstaat wat een ander zegt, waar de meest geleerde gezagsdrager weet dat hij niets weet en heel het volk van zich laat horen.

Een wijze Kerk. Een Kerk waar de Heilige Geest zichzelf mag uitnodigen omdat niet alles van tevoren voorzien, geregeld en beslist werd.

Een open Kerk. Een Kerk waar de durf om iets nieuws te wagen sterker is dan de gewoonte om maar te doen als altijd.

Een Kerk waar iedereen kan bidden in zijn eigen taal, zich kan uitdrukken in zijn eigen cultuur en leven binnen zijn eigen geschiedenis.

Een Kerk waarvan de mensen niet zeggen: ‘Kijk hoe ze hier georganiseerd zijn’ maar wel: ’Kijk eens hoe ze elkaar beminnen’.

Wij zijn samen de Kerk, laat ons samen deze droom verder realiseren.

 

Rik Wyffels

 

 

 


 

 

Het geloof van de honderdman  - LC7,1-10  / 28-29 mei 2016


Het evangelie van vandaag, de genezing van de knecht van de honderdman kennen we allemaal, en toch kan men dit iedere keer vanuit een andere invalshoek herlezen.
Wat opvalt is dat de twee personen die aanleiding geven tot dit relaas terzelfdertijd de grote afwezigen zijn. De honderdman, een vreemdeling en een handlanger van de bezetter, vraagt via anderen om een genezing van zijn knecht. Deze genezing komt er zonder fysische tussenkomst ter plaatse van Jezus, hetgeen vrij uniek is.   
Als we dan iets grondiger de tekst willen analyseren, kunnen we dit doen via de  persoon van de honderdman en de rol van de oudsten van het volk.
Het is merkwaardig dat het grote geloof in de mond gelegd wordt van een honderdman. Dit gebeurt hier in deze passage maar ook net na het overlijden van Jezus waar we kunnen lezen dat de daar aanwezige honderdman zegt: ‘Deze mens was waarlijk een rechtvaardige’. Een militair in uniform associëren we ook vandaag niet direct met een persoon die met zijn gevoelens en gedachten te koop loopt bij de uitoefening van zijn functie.
De persoonlijkheidskenmerken van de honderdman, die we indirect kunnen afleiden, zijn velerlei.
•    Hij is goed qua inborst, voor hem zijn vriendschap en dienende liefde belangrijk. Hij heeft een of meerdere knechten ter beschikking, maar dit belet hem niet deze menswaardig te behandelen. De zieke knecht, aan wie hem veel gelegen was, wenst hij te helpen zoals hij dit zou doen voor zijn eigen kind. Hij wordt op deze manier zelf een vragende knecht. Zo is deze militair een man met een hart voor zijn dienaars.
•    Hij is mild en rechtvaardig: hij respecteert de plaatselijke bevolking en hun geloofsovertuiging. Zo heeft hij financieel bijgedragen aan de financiering van hun synagoge.
•    Hij is nederig, gedraagt zich ondergeschikt: hij kent zijn plaats in het leger- kan bevelen geven, maar krijgt er ook. Ten op opzichte van Jezus stelt hij zich bewust nederig op. ‘Heer, ik ben niet waard dat Gij onder mijn dak komt.’ Nederigheid is de noodzakelijke voorwaarde, de smalle weg, om tot waar geloof te komen.
•    Hij vindt gebed belangrijk en is ook geloofwaardig. Hij vraagt een gebed gedragen door de gemeenschap, via de oudsten van het volk. Tevens gelooft hij in de genezende kracht van Jezus.
•    Hij gelooft ook in de kracht van het woord: ‘als ik tot een ondergeschikte zeg kom, ga of doe dit, dan gebeurt dit ook’. Deze visie projecteert hij naar Jezus als hij zegt: ‘een woord van U is voldoende om mijn knecht- in de moderne Bijbel vertaling – hertaald als mijn jongen, te genezen.’ Zo’n letterlijk blind vertrouwen in het woord van de ander die je niet eens persoonlijk kent, was toen en is vandaag nog altijd niet vanzelfsprekend. Pas met en door zo’n echt geloof, kan een mirakel gebeuren.  
Daarnaast zijn er de oudsten van het volk. De oudsten hebben hun rol in de gemeenschap, zij staan voor een stuk gematigdheid, levenswijsheid en maken de nodige tijd vrij voor het gebed.  In deze passage ervaren we hun tolerantie die zelfs overslaat naar solidariteit. Tolerant tegenover anders gelovigen in dit geval de heiden christenen. Maar tevens solidair met de vreemdeling, deze voelt zelf aan dat hij geen rechten heeft. Zij doen een goed woordje bij Jezus: ‘ze riepen met aandrang zijn hulp in, hij (de honderdman) verdient het’.
Deze evangelietekst geeft zo’n indruk nagelaten op de Kerk, dat we tot op de dag van vandaag in iedere eucharistie deze woorden van de honderdman uitspreken. Deze moeten ons allen terugbrengen tot de grondhouding van nederigheid om op deze manier tot doorleefd geloof te komen. Maar tevens herinneren ze aan de kracht van het woord. Het vermijden van kwetsende woorden waardoor iemand zich buitengesloten of zelfs afgeschreven voelt, moeten we vermijden. Woorden van troost, woorden die iemand opbeuren die iemands eigenwaarde opkrikken, kunnen ook vandaag kleine mirakels veroorzaken. Ten slotte worden we opgeroepen om open en ontvankelijk te zijn: concreet vertrouwen hebben in en geven aan onze directe medemens, maar ook om solidair te zijn niet louter met onze naaste maar ook met de andere, die we wellicht te vaak en te snel als vreemdeling beschouwen.
Pas dan hebben we het verhaal van de honderdman begrepen en zijn echte beleving gegeven in onze leefwereld van vandaag.   

 

Rik Wyffels

 

 


 

 

 

 

Hemelvaart van de Heer  - 5  mei 2016

 

Tweemaal kregen wij vandaag een relaas over het aardse afscheid van de Heer: in de eerste lezing en in het evangelie.

Telkens over hetzelfde gebeuren, maar op een  verschillende  manier benaderd,  gebracht.

Toch gaat het om twee teksten van dezelfde auteur: het evangelie en de Handelingen  van de apostelen  staan allebei op naam van  Lucas. Dat geeft meteen stof tot nadenken.
In zijn evangelie situeert Lucas alles op één dag: de dag na de sabbat, de eerste dag van de week, en dan er gebeurt heel wat.
Vroeg in de morgen gaan enkele vrouwen  naar het graf en ze moeten vaststellen dat het leeg is.  Als ze met het verrassende nieuws bij elf aankomen, geloven die het niet en houden ze het voor kletspraat van vrouwen; als Petrus dan toch maar eens  gaat kijken,  ziet hij hetzelfde,  hij kan er met zijn verstand niet bij: het blijft bij  een en al verwondering...
Later op de dag zijn er twee die het niet meer zien zitten en die op weg gaan naar Emmaüs: in een toevallige vreemdeling die met hen meeloopt  herkennen ze de Heer bij het breken van de brood. Zij kunnen niet vlug genoeg naar Jeruzalem terug, om aan de anderen hun ervaring te gaan vertellen, maar terwijl ze nog niet klaar zijn met verhaal staat de Heer plots in hun midden: Hij neemt ze allen mee buiten de stad, geeft hun de opdracht mee om te gaan  verkondigen en Hij wordt opgenomen in de hemel.  Hiermee eindigt zijn aardse aanwezigheid.
In de Handelingen laat de auteur 40 dagen verlopen tussen verrijzenis en hemelvaart. In die tijd hebben zij de Heer meermaals  in hun midden, maar sommige hardleerse leerlingen hopen nog altijd dat Hij het rijk van koning David zal gaan herstellen.
Maar de Heer neemt hen mee naar de Olijfberg waar Hij hun de zending toevertrouwt en een Helper belooft. Hij verdwijnt uit hun gezicht en een wolk onttrekt Hem aan hun ogen: het einde van zijn aardse aanwezigheid, Hij is nu thuis in de hemelse wereld. 

Toen Jezus bij de wake in de Olijfhof  aangehouden werd, was er een eerste afscheid,  nu volgt het definitieve afscheid   op dezelfde Olijfberg: de cirkel is rond.
Twee verhalen, zelfde gebeuren, andere benadering. De teksten van het nieuwe Testament zijn geen strikt historische verhalen, maar getuigenissen over sterke, aangrijpende belevenissen. In het evangelie legt Lucas er de nadruk op dat het in het paasgebeuren om  één  geheel gaat, één groot mysterie, en  daarom balt hij alles samen op die ene dag.
In de Handelingen heeft hij meer aandacht voor de psychologische werkelijkheid: na de vreselijke gebeurtenissen van die donkere week, hebben de leerlingen  tijd nodig om te verwerken, om te kunnen groeien.  Er gaan 40 dagen  over heen: de tijd die die de bijbel voorziet om iets nieuws te beginnen, een nieuwe tijd in te luiden. De tijd ook die Jezus in de  woestijn doorbracht voor hij zijn openbaar leven begon. Als de Heer dan afscheid heeft genomen, begint de tijd van wachten op de komst van de beloofde Helper. Een tijd van bidden en hopen. Nog altijd zijn ze niet klaar om aan de slag te gaan. Dat moet de Geest bewerken op Pinksterdag: Hij zal de grote inspirator zijn die alles  wat Jezus gedaan heeft in herinnering zal brengen en helpen begrijpen.
Maar als het eenmaal zover is zijn ze ook echt niet meer tegen  te houden,  dan vliegen zij erin! Weg zijn nu alle twijfels. De onzekerheid en het ongeloof van na de kruisdood zijn verdwenen. Ze trekken naar buiten, al hebben ze niet meteen een gemakkelijke boodschap in aanbieding: enkel het boegbeeld van een gekruisigde man die gestorven is en toch leeft! Onverkoopbaar?
Een marktstudie zoals wij dat nu kennen, zou hun geen kansen geven. Maar dat gaan ze niet uit de weg. Leven, kruisdood, verrijzenis: vanaf het begin de drie pijlers van de kernboodschap.
Tegenkanting komt er genoeg. De hogepriesters en de oudsten komen in  het verweer: apostelen worden opgepakt, gevangen gezet, mogen niet meer over Jezus spreken: “We kunnen er niet over zwijgen”, zeggen ze. De diaken Stefanus wordt gestenigd, christenen worden vervolgd, Petrus opnieuw opgepakt stokslagen en geselingen volgen. Paulus, de grote vervolger, wordt overrompeld op zijn weg naar Damascus, en wordt de grote verkondiger maar. Wie, wat heeft hem dan zo sterk aangegrepen?  Later wordt ook hij gevangen gezet.
Waar zijn nu die kleingelovige leerlingen zoals Jezus ooit noemde?
En dat alles met een boodschap over een gekruisigde man die toch leeft. Is er wel een sterker getuigenis, kun je elders een belangrijker argument vinden voor de ervaring  rond de Verrezen Heer zoals die aanwezig is en hen drijft?
Of hebben  ze na de kruisdood misschien met een leugen uitgepakt om hun gezicht te redden, een verzonnen fabeltje? Maar  dat hou je toch niet vol als alles lijkt tegen te zitten! Als je de boer opgaat en alleen maar ellende oploopt, dan  stop je er toch mee, dan zoek je werk voort een andere patron, een die je een meer gestroomlijnde boodschap op weg stuurt.
Maar nee, ze houden vol omdat ze zo'n sterke ervaring hebben meegemaakt, iets dat alles opzij zet.

En daarom laat Lucas  alles op één dag gebeuren in zijn evangelie.

Een zo diepgaande en overweldigende ervaring, waarbij al het andere in het niet verdwijnt. En dat verhaal blijkt bovendien heel wervend te zijn, overal ontstaan er gemeenten van christenen, die de weg van Jezus willen volgen. In Alexandrië gaat men Jezus' volgelingen 'mensen van de  weg' noemen.
Maar misschien beleven die verkondigers dan uiteindelijk een rustige oude dag? Vergeet het maar! Petrus wordt  gekruisigd, zoals ook Andreas, en Filippus. Anderen sterven de marteldood, worden onthoofd,  gestenigd of met het zwaard gedood.
'Kleingelovigen', noemde Jezus zijn leerlingen ooit.

Waar vinden wij zelf een plaats op de schaal die gaat van ongeloof naar geloof?

Hoe sterk is ons verrijzenisgeloof?

 

Bert Taeymans

 


 

 

 

In het zand geschreven  - 13  maart 2016

 

Het evangelie,  dat we zonet hoorden, lijkt in dit Johannes evangelie een verdwaalde meteoriet. Het is volgens bijbelkenners niet eens van de hand van Johannes misschien eerder van Lucas, en het werd pas in de 4de eeuw toegevoegd aan dit evangelie.
We zien de aanvangsscene voor ons. Vertaald in onze hedendaagse rechtsgang valt ons op dat er op de  beklaagdenbank enkel sprake is van de vrouw, van de overspelige man is er geen sprake, evenmin van de echtgenoot of verloofde, ten slotte worden er geen getuigen pro of contra aangebracht. Ook blijven we in het ongewisse over de context: werd de vrouw misschien gedwongen in deze omstandigheden, werd ze misbruikt terwijl ze troost zocht? Sommigen zien in de vrouw het volk Gods en de minnaar staat voor afgoderij, voor het kwade. De ontrouw, betekent een breuk met God, hier gesymboliseerd door de afwezige echtgenoot.    
De bedoeling van de Farizeeërs en rechtsgeleerden door hun vraagstelling is duidelijk: een valstrik plaatsen via een schijnbaar onmogelijke keuze tussen het respecteren van de wet van Mozes langs de ene kant of het kiezen voor Gods Barmhartigheid aan de andere kant.
Na deze vraagstelling, buigt Jezus het hoofd. Hij maakt zich letterlijk kleiner. Hij is solidair met de vernederde vrouw. Hij antwoordt in eerste instantie niet. Hij is niet bang van de mensen over wie kwaad gesproken wordt, geoordeeld wordt, maar Hij is wel op zijn hoede voor hen, die over de ander kwaad spreken.  Het zwijgen in zo’n situatie laat toe alles even op een rij te zetten, een stuk bezinning in te bouwen. Stilte kan het hart van de ander dieper raken dan vele woorden, soms wordt stilte hierdoor ondragelijk en kan het figuurlijk een krachtig wapen zijn. Na enig aandringen komt er het onverwachte maar geniale antwoord: geen keuze voor één van hun oplossingen maar wel: ‘wie zonder zonde is, mag de eerste steen werpen’. Jezus kijkt terug naar de grond en schrijft verder in het zand. Hij veroordeelt niemand, Hij laat eenieder toe om op een elegante manier zelf in de spiegel te kijken en een eigen gewetensvolle keuze te maken. Nadien zien we allen afdruipen, de gesloten kring  met het slachtoffer in het midden, symbool van een gemeenschap die de dader uitsluit, wordt geopend.  Jezus richt zich terug op, beeld van de opstanding,  biedt aan de vrouw de kans haar leven terug op te nemen, ook Hij biedt haar een herkansing.
Als we even naar onszelf kijken, herkennen we heel gemakkelijk parallellen met het verhaal van vandaag: we staan snel klaar met een mening over een situatie over de ander, waarbij we niet altijd de ware context kennen, waar het soms gemakkelijk is ons te scharen achter de one liners van de massa: de superrijken mogen hun steentje bijdragen, de werklozen zoeken niet hard genoeg achter werk, de vluchtelingen worden al te snel de gelukszoekers in onze eigen opgebouwde welvaartmaatschappij, de daders van seksuele misdrijven dienen harder gestraft, om nog niet te spreken over ons roddelen over onze collega of onze buur. Het is belangrijk om steeds een zekere mildheid aan de dag te leggen, en bij een beoordeling ons te focussen op de daden en ons niet te richten tot de mens als geheel. In een recente voordracht van Jan De Cock, hoorde ik het heel toepasselijk verhaal van een praktijk in Afrika, waar de gemeenschap samen met een beschuldigde samenkwam onder de mangoboom. Hierbij was het ritueel om mekaar allereerst uit te dagen positieve dingen te zeggen over de beschuldigde. Deze aanpak leidde ertoe dat de inkeer bij en het herstel door de dader er spontaner kwam en dat gemeenschap veel milder was in haar oordeel. Laat ons dus geen stenen gooien maar mekaar de hand reiken.
Wat leert dit evangelie ons vandaag?
Voor mij staat de christelijke radicaliteit centraal. Allereerst is er het thema zondigheid, en indirect een vingerwijzing naar vrouwendiscriminatie. Het kwaad wordt hier niet weggewimpeld en wordt ernstig genomen. Jezus verwoordt dit zowel naar de Farizeeërs als naar de beklaagde. Tevens zien we dat in die tijd vrouwen relatief snel als schuldig werden aanzien, terwijl de man vrijuit gaat.  Ook vandaag horen we dit soort van bedenkingen nog al te gemakkelijk. Daarnaast is er de oproep tot verzoening en de barmhartigheid, een fundamentele geloofs- en levenswaarde.
 In de brochure rond barmhartigheid, in dit jubeljaar van de barmhartigheid, lees ik: ‘Barmhartigheid is de arme een warm hart toedragen, het is een engagement voor de beproefde andere. En verder: het is mede-lijden, lijden met de ander. Het is een ten diepste bewogen worden en een echt ontmoeten van de ander in zijn verdriet en beproevingen.’ Het betekent concreet een oproep de cirkel des doods te doorbreken voor kansarmen, vluchtelingen, behoeftigen, kortom voor de vele mensen zonder naam.
Ten slotte wil ik afsluiten met de vraag wat en waarom schreef Jezus in het zand?  Wat: dit zullen we nooit weten, maar het waarom kunnen we misschien wel figuurlijk als volgt verklaren: misschien was het zoals kinderen doen in het spel iets opschrijven en direct terug uitvegen, als het ware een streep trekken bij bekering door de kerkstok, door het verleden. Laten we daarom vanaf vandaag  ‘als iemand ons pijn doet, dit in het zand schrijven zodat de wind van de vergeving het kan uitwissen. Maar als iemands iets goed doet voor ons, moeten we het in steen graveren waar geen wind het ooit kan wissen.’

 

Rik Wyffels

 

 


 

 

Sint Paulus onderdeel van de op te richten pastorale eenheid  - 16 januari 2016


Naar jaarlijkse gewoonte wil ik jullie bij het begin van het nieuwe burgerlijk jaar informeren over onze Sint Paulus parochie en vandaag in het bijzonder in de context van de op te richten pastorale eenheid.
Vooraf even terug gaan in de tijd: vanuit de feedback uit een ruim aantal gesprekrondes in het bisdom Antwerpen gevoerd rond zeven gedefinieerde knooppunten in 2011, is er door onze bisschop Bonny een visietekst gepubliceerd in 2012 en dit voor de periode 2012-2017 onder de titel: ‘ Een houtskoolvuur met vis erop en brood’.  Een van de centrale gedachten hierin was het voorstel van een netwerk van parochies op te richten. Dit thema werd verder uitgewerkt in de brochure: ‘De pastorale eenheid in het Bisdom Antwerpen’. Belangrijk is om hierbij vast te stellen dat er geen vast keurslijf wordt voorgesteld maar eerder een aanpak die boetseerbaar is rekening houdend met de lokale situatie. Vanuit het bisdom werd aangegeven dat de bestaande federatie van de zes parochies Malle-Zoersel een goede kandidaat was om te evolueren naar een op te richten pastorale eenheid. In de federatie werden in 2014-2015 verschillende vergaderingen hieraan gewijd waarbij het uitwerken van de missie en dus het bepalen van de richting het vertrekpunt vormden. Vandaag kan ik zeggen dat we hier in de eindfase zitten en wil ik de basisgedachtes met jullie delen.
Een missie, moet je zien als het credo waarachter een organisatie, een vereniging staat, het wezen van haar bestaan, en op deze manier een stuk tijdloos is. Het is meestal een kernzin die uitdrukt waar we willen voor gaan. Hier volgt ze dan:
Onze pastorale eenheid is een duurzaam samenwerkingsverband tussen de verschillende geloofskernen van Malle en Zoersel. In een dynamisch netwerk tussen onze geloofskernen zetten we ons in om een luisterende en inspirerende christelijke geloofsgemeenschap te zijn, er te zijn voor de gelovige en zoekende mens in de wereld van vandaag.
Inderdaad een mondvol, die enige extra uitleg verdient:
- Duurzaam samenwerkingsverband: het is geen aparte plek, geen nieuwe gemeenschap, maar wel een gemeenschap van bestaande gemeenschappen
- Verschillende geloofskernen van Malle en Zoersel: de gemeenschap beperkt zich niet tot de parochies maar omvat ook de scholen, zorginstellingen, abdijen en andere kerkgroepen binnen deze territoriale grenzen.
- Dynamisch netwerk: er zijn geen vaste vooraf vastgelegde samenwerkingsverbanden, dit kan verschillen in functie van de diverse initiatieven, activiteiten en evolueren doorheen de tijd.
- Luisterende, inspirerende christelijke geloofsgemeenschap:
o Christelijke geloofsgemeenschap: onze gemeenschap is christelijk geïnspireerd. Hierbij vormen onze samenkomsten voor liturgie, sacramenten en andere bijzondere gelegenheden belangrijke ankerpunten.
o Verkondiging: in dit christelijk geloof kan iedereen groeien op zijn/haar wijze, waarbij iedereen gever en ontvanger is. We willen inspirerend door ruimte te geven aan nieuwe initiatieven, noem het een hertalen van de blijde boodschap in deze tijd. Dit biedt kansen, om onze spiritualiteit te herbronnen en te verdiepen.
o Diaconie: door onze evangelische bewogenheid willen we zorg dragen voor en samenwerken met de kwetsbare en gekwetste medemens. Door dit daadwerkelijk engagement willen we geloofwaardig zijn. 
- We willen er zijn voor de gelovige en zoekende mens: we staan open, zijn gastvrij voor de christelijk gelovigen in alle schakeringen en voor de zoekende mens (anders gelovigen en niet gelovigen). Tevens betekent dit rekening houden met de verschillende generaties, de verschillende doelgroepen, de verschillende noden en dit in een wijzigende tijdsgeest.
- We staan in de wereld van vandaag: we leven niet ernaast maar we participeren actief in een geest van hoop en optimisme. We erkennen de secularisatie in onze Westerse maatschappij en de kenmerken van deze tijd. Dit betekent dat we respectvol en tolerant samenleven met de ander in onze multiculturele en multireligieuze maatschappij.
Het parochieteam van Sint Paulus, onderschrijft deze visie mits enkele kleine tekst aanpassingen, we hopen dat we hiermee ook jullie standpunt mee uitdragen.
Wat zijn nu de volgende stappen? De federatie zal normaal het dossier voor de oprichting van de pastorale eenheid indienen in de loop van 2016, hierbij wordt er gekozen voor een gradueel groeien naar deze eenheid – dus jullie zullen geen schokken voelen, maar wel stapsgewijs zien dat in functie van praktische noden of kansen spontane pastorale samenwerkingsinitiatieven verder gestimuleerd worden of ontstaan. We rekenen erop dat de zaden van deze vernieuwing spontaan ook nieuwe mensen aanspreken om zich mede in te zetten om onze 50 jaar jonge parochie de nodige vitaliteit te geven om er de volgende decennia verder tegen aan te gaan. 

 

Rik Wyffels

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Openbaring  15 januari 2016

 

Als het in deze winterse dagen vroeg donker wordt, dan stekeen wij het licht aan, zo eenvoudig is dat. Voor ons, ten minste, want eeuwenlang viel het leven stil bij het invallen van de duisternis. En het valt ons nog moeilijk dat voor te stellen, want volstrekte duisternis kennen  wij zelfs niet meer.

Wij zijn er immers aan gewoon geraakt dat een gedeelte van de activiteiten verder gaat: er zijn bedrijven die 's nacht doorwerken,  er zijn nog allerlei hulpdiensten bedrijvig, er is het  verkeer en  de straatverlichting.
Echte angst voor het duister kennen we ook niet meer. Maar zoals kinderen  nu soms bang zijn voor het donker en graag met een nachtlichtje gaan slapen, zo voelde de mens uit vroegere eeuwen zich  hoogst ongemakkelijk in het donker,  wat dan weer aanleiding gaf tot het ontstaan  van allerlei verhalen over spoken en kwade geesten die in het donker opereerden.
Als wij nu spreken over donkere dagen in ons leven, dan hebben wij het eerder over momenten waarop we in de knoei zitten, wanneer alles ons schijnt tegen  te gaan, wanneer dingen ons overvallen waar we geen greep op hebben: ziekte, overlijden, pijn, eenzaamheid. Dan kan de angst om een ander soort duisternis ons bekruipen en gaan beklemmen. Nachtmomenten waarop ook ons geloof  ons ook in de steek lijkt te laten. En dan komt weer het angstige kind in ons tot leven. Misschien zijn we geneigd om het  wat  weg te duwen, te verbergen.  Maar dat helpt niet écht: we zijn ons evenwicht kwijt, we hebben te maken met twijfels, met opstandigheid misschien.    
Mensen willen dan wel geloven maar ze voelen zich zo machteloos. De mooie momenten,  waarop men kon geloven in de nabijheid van God zijn dan ver weg en het is alsof je ontwaakt uit een droom. Hoe moet het nu verder?
Misschien kan het ons helpen als wij vandaag de weg van de wijzen uit het Oosten uit het evangelie een stukje meelopen. Zij zijn op weg gegaan van de duisternis naar het licht; zij leren ons het licht van de ster, het licht van Gods aanwezigheid niet los te laten en het in de herinnering te blijven behouden als het tijdelijk verdwijnt. Al die momenten waarop je wel Gods aanwezigheid kon ervaren, waar je wel met Hem en voor Hem kon leven. Dat kleine vonkje van geloofsherinnering moeten we dan toch maar trachten te bewaren en levendig te houden. 

De ene dag zal dat beter lukken dan de andere, maar ook de wijzen hadden enkel maar die ene ster als gids, en als ze die even niet zagen moesten zij ook verder met het beeld van de ster in hun herinnering.
Zij gingen  op weg omdat zij de ster hadden waargenomen, en zij volgden die doorheen de donkere nachten. Want licht kun je niet van jezelf geven,  je moet het van elders krijgen. Wie dat niet aanvaardt is alleen met zichzelf bezig. Gelovig zijn kun je ook niet uit jezelf alleen, je krijgt het als een gave, maar je moet er wel voor openstaan, en mogelijk liggen er ook wel wat hindernissen op je weg. De twee gaan samen: krijgen, en écht willen ontvangen.
Bij de wijzen verliep het niet anders. De ster kregen zij, maar dan moesten zij op weg. Zij blijven niet wachten tot de ster uit zichzelf in hun nabijheid zal blijven stil staan, nee, zij laten het bekende los, hun land laten zij achter, zij gaan op weg naar het vreemde, de ster achterna. Als ze die niet volgen, als ze zich niet willen gewonnen geven aan de ster, zullen zij hun diepe verlangen nooit vervuld weten, zullen zij de pasgeboren koning nooit kunnen vinden.
Vele nachten doen zij er over, en als de ster even niet opduikt, als ze zich achter de wolken verschuilt, dan wachten  zij.  Zij geloven de cultuur van het wachten.
En ondertussen houden zij de herinnering eraan levendig. Nachten en sterren kun je niet naar je hand zetten, ze hebben hun eigen ritme, hun eigen wetten: als de wolken laag handen, zien zij de ster niet.  Zij leren ons geduld hebben. En dat is  belangrijk in de nacht van  het geloof,  als ook God zwijgt.   Geduld zuivert onze verlangens uit,  het helpt ons om onze vragen te laten rijpen zodat ze eens open kunnen breken. Tot we, misschien na een erg lange tijd van wachten en vasthouden aan het ster-geloof,  toch op een moment gaan voelen dat de ster ergens stil blijft staan.
Dat moment kan mogelijk heel verrassend op ons afkomen: dat was het ook voor de wijzen die een koning vonden in een arme stal. En misschien hebben zij dan toch wel  even geaarzeld met hun cadeautjes: waren die wel aangepast aan deze situatie? Maar toch gaan ze het kind ermee eren. Goud, wierook en myrrhe. Daar hebben we uit afgeleid dat ze met zijn drieën waren, want het evangelie spreekt alleen maar van 'wijzen'.
Goud om zijn koningschap, wierook als eerbetoon aan  zijn goddelijke oorsprong en myrrhe is als de  donkere wolk van zijn begrafenis die al boven het stalletje hangt....
Als wij de ster weergevonden hebben in ons leven, dat wordt het misschien ook duidelijk dat die arme stal of die grot juist ons eigen leven is. Dan hebben wij de moed nodig om er ook binnen te gaan  en er het kind te vinden en het te herkennen. Als we dan  ook dankbaar kunnen zijn omdat wij het kind van ons geloof  teruggevonden hebben, dan  is ook de nacht voorbij en kan de dageraad gaan oplichten. Dan is God weer in ons leven binnengekomen. Dan heeft de Heer zich aan ons, bang mensenkind, geopenbaard. En de vreugde die de wijzen overspoelde, zal ook ons hart beroeren .

 

Bert Taeymans
  

 


 

 

Kerstmis  25 december 2015

 

Keizer Augustus wilde dat alle inwoners van het Romeinse Rijk zouden worden geteld. Hij kan dat besluiten, want Hij heeft het voor het zeggen. Zijn tegenspelers in dit verhaal zijn twee eenvoudige lieden die niets in te brengen hebben. Wetten houden niet altijd rekening met de weerslag ervan. En Augustus kon niet voorzien wat er die nacht zou gebeuren.
Want wat er gebeurt valt ook buiten elke verwachting. In de oude geschriften was er wel sprake van een Redder, een koning voor Israël, maar wat er in feite te zien si heeft helemaal geen koninklijke allure: enkel een pasgeboren kind, in doeken gewikkeld.     
En voor wie is de primeur? Niet voor de keizer, niet voor de gezagsdragers, maar voor de kleinen, de herders in het veld. Zij worden plots verrast door een engel in stralend licht.
Licht! Want dit kind zal licht zijn voor de wereld. Met 'licht' is het ook allemaal eens begonnen. Want in den beginne sprak God: “Er moet licht zijn!”. En er was licht. En daarmee kon ook  het verhaal van de mensen  beginnen.
Een lichtende wolk ging ook het Joodse volk vooraf bij de Uittocht. En een lichtende ster wijst ook de wijzen uit het Oosten de weg. En week na week groeide het licht op onze adventskrans. Johannes zal later getuigen:  “Het licht dat ieder mens verlicht kwam in de wereld.”
Een klein kind wordt “Redder” genoemd, “'Verlosser”. Misschien hebben we het daar wat moeilijker mee. Hebben wij wel een Redder, een Verlosser nodig? Ook spijts de besparingen leven wij in een tijd waar vorige generaties zelfs niet van konden dromen. De laatste decennia zijn we er met sprongen op vooruitgegaan. De wetenschap heeft veel dromen dichterbij gebracht: geneeskunde, communicatimedia, elektronica, ruimteverkenning,  satellieten brengen praktische
toepassingen in het dagelijkse leven.    Maar al die verworvenheden hebben ook meegebracht dat we misschien wat te veel op onszelf betrokken zijn  gaan leven. Is de 'selfie' daar geen mooi voorbeeld va? Met een  bijgeleverde stick zodat je jezelf waar en wanneer ook op het voorplan kunt zetten...
Voor we ervan bewust zijn kunnen we ons laten inpalmen door onze smartphone of tablet en onvoldoende open staan voor wat er in de wereld gebeurt. Daar zwaait de sterke werkdruk, competitie en burn out de plak.
Bescheidenheid past als we het stalletje gaan  bezoeken.     
Wie is toch dit kind van de kerstnacht, en wat komt het ons brengen? Wat is zijn betekenis voor de wereld?
Tijdens een interview op de VRT werd aan rector Rik Torfs gevraagd: Goed, je bent gelovig, maar wat betekent de figuur van Jezus dan voor u, naast alle andere godsdiensten? En het antwoord: omdat ik geloof dat God nooit dichter bij de mensen gekomen is dan in Jezus van Nazareth. Dat is de betekenis van de menswording: Hij is ons bestaan komen delen, 'all in', van kind tot volwassene, alle menselijke vreugden en pijnen in begrepen.  En in Hem konden wij Gods spoor herkennen.
Johannes schrijft in zijn eerste brief: “Wat er was van in het begin,  wat wij met eigen ogen gezien en aanschouwd hebben, wat onze handen hebben aangeraakt, dat verkondigen wij”. Dat alles maakt Jezus zo uitzonderlijk. De eerste leerlingen hebben Hem gezien en zijn met Hem opgetrokken in Galilea en daardoor hebben wij ook een  beeld van Hem, Hij heeft ons een menselijk gelaat laten zien. Op die basis kunnen en mogen christenen Hem ook afbeelden, wat in andere godsdiensten niet mag. Dat is ten volle menswording, incarnatie, vleeswording.
Dat maakt dat hij licht is voor de wereld, dat wereldwijd mensen in noodsituatie naar Hem
opkijken. Hij die alles is komen delen, deelt ook in onze vreugde, lijdt mee als als wij pijn hebben. Hij geeft uitzicht waar het leven donker wordt. “Gods menslievendheid is onder ons verschenen”, schreef Paulus aan zijn vriend Titus en Kardinaal Danneels koos het als bisschopsleuze.
“Vrede op aarde aan alle mensen in wie God welbehagen heeft”. Vrede is een geschenk van God, en wij mogen die aanvaarden.
Hij is gekomen,  tweeduizend jaar geleden, en eens zal Hij weerkomen. Voor Bernardus  van Clairvaux ligt daartussen nog de 'middelste komst', die de twee verbindt, zijn komst in onze harten. Bij de communie beleven wij dat ten volle:
misschien hebben wij ook niet het mooiste huisje aan te bieden,  is ons iets als een kribbe, maar wij mogen in vertrouwen  bidden: “Heer, ik ben niet waardig, maar spreek een woord en ik zal gezond zijn”. Dan maakt Hij ons klaar voor zijn 'middelste komst'.
Met Kerstmis verandert de wereld niet in één klap: het is onze opdracht  de weg te zoeken die Hij is voorgegaan,  Hij spreekt ons aan om met  dat nieuwe licht aan de slag te gaan en het uit te dragen, want het kan nog wel eens erg donker zijn op onze aarde.

 

Bert Taeymans

 


 

 

 

 

Een uitzonderlijke moeder LC 1, 39-45  20 december 2015

 

We kennen allen het evangelie van vandaag, enkele regels uit het eerste hoofdstuk van het Lucas evangelie. Heel eenvoudig: een jonge moeder gaat op bezoek bij haar oudere onvruchtbare gewaande nicht die echter ook in verwachting blijkt te zijn, en deze voelt bij de begroeting haar kind bewegen. Maar hoe komt het dat deze schijnbaar onbeduidende passage de geschiedenis overleefd heeft?
Het evangelie van Lucas, is zo’n 80 jaar na Christus geschreven. Zoals ook heden ten dage, wordt bij het uitschrijven van een biografie, gepoogd om de voorgeschiedenis van de betrokkene te achterhalen, wie waren de ouders, hoe verliepen de jeugdjaren.…? Op deze wijze worden deze laatst verzamelde gegevens chronologisch in het begin geplaatst. Lucas wil duidelijk ons een geloofsverhaal vertellen in deze passage, waarbij de historische accuraatheid slechts secundair is. Zo is er een weinig zeggende tijdsbepaling ‘in die tijd’ en ook de plaatsaanduiding klinkt vreemd ‘Maria reisde met spoed naar het bergland’ als we weten dat zij zelf in een bergstreek woonde. Ten slotte is er de afwezigheid van de echtgenoten, zeker voor een reistocht van 3 tot 4 dagen is dit in die tijd ongewoon, deze mannen zijn figuurlijk op de achtergrond geplaatst in zijn beschrijving.
In eerste instantie wenst de Lucas in het begin van zijn evangelie het belang van zowel Jezus als Maria aan te geven: er is de zaligprijzing van Elisabeth: ‘Gij zijt gezegend onder de vrouwen’, een woordgebruik dat slechts gebruikt wordt voor de grote momenten, voor vrouwen die de geschiedenis hebben kunnen keren. In die tijd een a-typisch gegeven, als we weten dat de vrouwen een tweede rangsrol innamen en naar gangbare normen als onvruchtbaar bestempeld werden terwijl ze net in deze passage een hoofdrol innemen. Tevens wordt het historisch belang van Jezus figuurlijk aangegeven: ‘de moeder van mijn Heer’ zegt Elisabeth, en dit in zijn vroegst mogelijke moment van het leven te weten als ongeboren kind – daar waar dat dit in het Marcus evangelie slechts gebeurde bij de doop van Jezus in de Jordaan.
Bij een herlezen vallen ons een aantal menselijke facetten op:
-    Maria haast zich met spoed lezen we, ze is dankbaar om het geschenk van God, ze is gedreven en vol enthousiasme ziet ze uit naar de komst van haar kind, naar Gods komst.
-    In de beschrijving van het bezoek vinden we een aantal elementen terug: allereerst is er de begroeting, zijn er de gelukwensen. We voelen hier de wederzijdse genegenheid tussen deze twee familieleden. Nadien is er de vreugde om de ontmoeting, zowel bij Elisabeth als bij Maria, in het Magnificat, de passage net na het evangelie van vandaag. Tenslotte is er de niet vermelde maar wel aanwezige dienstbaarheid, Maria die een helpende hand wil bieden aan haar oudere nicht Elisabeth.
-    Ten slotte symboliseert deze passage de eerste ontmoeting van Jezus en de impact die zo’n ontmoeting tussen mensen teweeg kan brengen.
Zoals de Katholieke kerk vandaag symbolisch Jezus in haar schoot draagt, en dit in iedere eucharistieviering herdenkt, zo kunnen ook wij, net als Maria, een hedendaagse Christusdrager zijn. In deze laatste week van de advent, periode van hoop en verwachting, symboliseren de groene takken van de traditionele adventskrans de continue aanwezigheid van God, die ons onvoorwaardelijk tegemoet treedt. Daarnaast zijn er de rode kaarsen, rood kleur van de liefde, de drijvende kracht die essentieel is in onze weg naar een vredevolle wereld. Laat ons met de geest van Jezus, werken aan deze betere toekomst. Laat de positieve krachten overheersen in onze ontmoetingen met mekaar, waardoor onze woorden en daden mekaar kracht en energie geven. Door deze deugddoende ontmoetingen kunnen ons hart en geest zich openstellen en zijn we in staat leven te delen en door te geven. Op deze manier blijft Maria ook voor ons het voorbeeld om in ons leven de kiemen te dragen van een nieuwe toekomst.

 

Rik Wyffels

 

 

 

 

 

16739
TodayToday32
YesterdayYesterday71
This_WeekThis_Week501
This_MonthThis_Month1769
All_DaysAll_Days16739