Artikelindex

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Openbaring  15 januari 2016

 

Als het in deze winterse dagen vroeg donker wordt, dan stekeen wij het licht aan, zo eenvoudig is dat. Voor ons, ten minste, want eeuwenlang viel het leven stil bij het invallen van de duisternis. En het valt ons nog moeilijk dat voor te stellen, want volstrekte duisternis kennen  wij zelfs niet meer.

Wij zijn er immers aan gewoon geraakt dat een gedeelte van de activiteiten verder gaat: er zijn bedrijven die 's nacht doorwerken,  er zijn nog allerlei hulpdiensten bedrijvig, er is het  verkeer en  de straatverlichting.
Echte angst voor het duister kennen we ook niet meer. Maar zoals kinderen  nu soms bang zijn voor het donker en graag met een nachtlichtje gaan slapen, zo voelde de mens uit vroegere eeuwen zich  hoogst ongemakkelijk in het donker,  wat dan weer aanleiding gaf tot het ontstaan  van allerlei verhalen over spoken en kwade geesten die in het donker opereerden.
Als wij nu spreken over donkere dagen in ons leven, dan hebben wij het eerder over momenten waarop we in de knoei zitten, wanneer alles ons schijnt tegen  te gaan, wanneer dingen ons overvallen waar we geen greep op hebben: ziekte, overlijden, pijn, eenzaamheid. Dan kan de angst om een ander soort duisternis ons bekruipen en gaan beklemmen. Nachtmomenten waarop ook ons geloof  ons ook in de steek lijkt te laten. En dan komt weer het angstige kind in ons tot leven. Misschien zijn we geneigd om het  wat  weg te duwen, te verbergen.  Maar dat helpt niet écht: we zijn ons evenwicht kwijt, we hebben te maken met twijfels, met opstandigheid misschien.    
Mensen willen dan wel geloven maar ze voelen zich zo machteloos. De mooie momenten,  waarop men kon geloven in de nabijheid van God zijn dan ver weg en het is alsof je ontwaakt uit een droom. Hoe moet het nu verder?
Misschien kan het ons helpen als wij vandaag de weg van de wijzen uit het Oosten uit het evangelie een stukje meelopen. Zij zijn op weg gegaan van de duisternis naar het licht; zij leren ons het licht van de ster, het licht van Gods aanwezigheid niet los te laten en het in de herinnering te blijven behouden als het tijdelijk verdwijnt. Al die momenten waarop je wel Gods aanwezigheid kon ervaren, waar je wel met Hem en voor Hem kon leven. Dat kleine vonkje van geloofsherinnering moeten we dan toch maar trachten te bewaren en levendig te houden. 

De ene dag zal dat beter lukken dan de andere, maar ook de wijzen hadden enkel maar die ene ster als gids, en als ze die even niet zagen moesten zij ook verder met het beeld van de ster in hun herinnering.
Zij gingen  op weg omdat zij de ster hadden waargenomen, en zij volgden die doorheen de donkere nachten. Want licht kun je niet van jezelf geven,  je moet het van elders krijgen. Wie dat niet aanvaardt is alleen met zichzelf bezig. Gelovig zijn kun je ook niet uit jezelf alleen, je krijgt het als een gave, maar je moet er wel voor openstaan, en mogelijk liggen er ook wel wat hindernissen op je weg. De twee gaan samen: krijgen, en écht willen ontvangen.
Bij de wijzen verliep het niet anders. De ster kregen zij, maar dan moesten zij op weg. Zij blijven niet wachten tot de ster uit zichzelf in hun nabijheid zal blijven stil staan, nee, zij laten het bekende los, hun land laten zij achter, zij gaan op weg naar het vreemde, de ster achterna. Als ze die niet volgen, als ze zich niet willen gewonnen geven aan de ster, zullen zij hun diepe verlangen nooit vervuld weten, zullen zij de pasgeboren koning nooit kunnen vinden.
Vele nachten doen zij er over, en als de ster even niet opduikt, als ze zich achter de wolken verschuilt, dan wachten  zij.  Zij geloven de cultuur van het wachten.
En ondertussen houden zij de herinnering eraan levendig. Nachten en sterren kun je niet naar je hand zetten, ze hebben hun eigen ritme, hun eigen wetten: als de wolken laag handen, zien zij de ster niet.  Zij leren ons geduld hebben. En dat is  belangrijk in de nacht van  het geloof,  als ook God zwijgt.   Geduld zuivert onze verlangens uit,  het helpt ons om onze vragen te laten rijpen zodat ze eens open kunnen breken. Tot we, misschien na een erg lange tijd van wachten en vasthouden aan het ster-geloof,  toch op een moment gaan voelen dat de ster ergens stil blijft staan.
Dat moment kan mogelijk heel verrassend op ons afkomen: dat was het ook voor de wijzen die een koning vonden in een arme stal. En misschien hebben zij dan toch wel  even geaarzeld met hun cadeautjes: waren die wel aangepast aan deze situatie? Maar toch gaan ze het kind ermee eren. Goud, wierook en myrrhe. Daar hebben we uit afgeleid dat ze met zijn drieën waren, want het evangelie spreekt alleen maar van 'wijzen'.
Goud om zijn koningschap, wierook als eerbetoon aan  zijn goddelijke oorsprong en myrrhe is als de  donkere wolk van zijn begrafenis die al boven het stalletje hangt....
Als wij de ster weergevonden hebben in ons leven, dat wordt het misschien ook duidelijk dat die arme stal of die grot juist ons eigen leven is. Dan hebben wij de moed nodig om er ook binnen te gaan  en er het kind te vinden en het te herkennen. Als we dan  ook dankbaar kunnen zijn omdat wij het kind van ons geloof  teruggevonden hebben, dan  is ook de nacht voorbij en kan de dageraad gaan oplichten. Dan is God weer in ons leven binnengekomen. Dan heeft de Heer zich aan ons, bang mensenkind, geopenbaard. En de vreugde die de wijzen overspoelde, zal ook ons hart beroeren .

 

Bert Taeymans
  

 

16739
TodayToday32
YesterdayYesterday71
This_WeekThis_Week501
This_MonthThis_Month1769
All_DaysAll_Days16739