Artikelindex

5de ZONDAG door het JAAR
Beste parochianen, 

Ik heb vandaag de eer om de homilie te mogen voorlezen die Aurelija voor ons allen geschreven heeft. De lezingen van vandaag hebben verschillende rode draden: in alle 3 de lezingen horen we over de roeping van God over de nederigheid van zondige mensen en ook over de barmhartigheid van God. En het allerbelangrijkste, Paulus schrijft over de kern van onze geloof, het credo, de geloofsbelijdenis. Gods roeping belangt ons allemaal aan: sommige van ons hebben dit al mogen ervaren: krachtig en onverwacht.

Andere groeien langzaam dagelijks op weg dichterbij bij God. Nog andere blijven nog steeds zoeken naar hun roeping. Het is Gods wil en genade hoe Hij ons aanspreekt, het is onze vrije wil net zoals die van Jesaja, Paulus en Petrus om daarop in te gaan en onze roeping correct te vervullen. Als we over Gods roeping spreken, dan denken we in eerste instantie toch niet aan onze eigen roeping. We denken eerder aan roepingen van geestelijken, priesters in het bijzonder. Vele mensen in ons land klagen over de weinig geestelijke roepingen. In plaats van er ons over te beklagen, laten we liever dagelijks bidden voor de priesterroepingen en voor Gods hulp in deze moeilijke taak van dienstbaarheid. In deze 3 lezingen horen we ook hoe de roepingservaring of de ontmoeting met het heilige, de mens geconfronteerd met zijn eigen onmacht en zondigheid. Jesaja, Paulus en Petrus kunnen in de nabijheid van God hun zondigheid inzien en in het openbaar toegeven. En hun zonden belijden wordt beloond door Gods barmhartigheid. God kiest precies die kleine schuldbewuste mensen uit voor een grote taak. Dat doet ons o.a. ook denken aan het zo onterecht verwaarloosde sacrament van de biecht en verzoening. Het apostolische leven van Simon Petrus was getekend door meerdere menselijke tekorten, die niemand van ons vreemd zijn en waarop Jezus hem telkens terechtwees. Toch Simon is Petrus mogen worden, de rots waarop Jezus zijn kerk gebouwd heeft. En waarom? Wat is het verschil tussen het verraad van Judas, de vervolging door Paulus of verloochening door Petrus? Judas verloor zijn geloof en hoop in de barmhartigheid van Jezus. Daarentegen behield Petrus zijn geloof, hoop en liefde en ondanks meermaals te vallen, mocht Petrus telkens van Gods barmhartigheid blijven genieten. Jezus is immers in de wereld gekomen om zondaars, armen en zieken op te roepen tot genezing. Jezus geeft een opdracht aan Petrus: “vaar naar de diepte”, en het blijft ook nog steeds een opdracht voor onze kerkgemeenschap, ook vandaag. “Vaar naar de diepte”, want alleen daar kan een Godservaring ontstaan: vertrouwend in Gods woord, verdiepend tot het essentiële. Het belangrijkste wat we vandaag gehoord hebben is de grond van onze christelijke geloof, uitgesproken door Paulus: “In de eerste plaats: dan heb ik u overgeleverd wat ik ook zelf als overlevering heb ontvangen, namelijk dat Christus gestorven is voor onze zonden, volgens de Schriften en dat Hij begraven is. En opgestaan op de derde dag, en daarna verschenen “Christus is gestorven voor onze zonden ”“Hij is begraven en Hij is opgestaan”. Dat is het belangrijkste, dat is de essentie van onze geloof. Zoals Paulus schrijft: “ik vestig uw aandacht op het evangelie dat ik u heb verkondigd, dat gij hebt ontvangen, waarop gij gegrondvest zijt en waardoor gij ook gered wordt, indien ge er tenminste aan vasthoudt in de vorm waarin ik het u verkondigd heb, anders zou gij tevergeefs gelovig geworden zijn”. Er valt hier niks aan toe te voegen, enkel het benadrukken van het belang van deze woorden. De apostelen en de eerste christenen die de verrijzenis van Jezus mochten ervaren hadden geen twijfels over hun roeping. De genade van deze ervaring was zo groot, dat ze alles achter zich lieten om de leer van Jezus te verkondigen en ze gingen hun eigen martelaren dood tegemoet. Zo sterk kan het geloof zijn en zo’n grote offers waren enkel mogelijk omdat hun ervaring authentiek en zo mysterieus bijzonder was.  Voor iets minder zou men zo’n vreselijke dood niet geriskeerd willen hebben. Deze ooggetuigen hebben ons de geloofsbelijdenis aangereikt: het credo van de eerste kerk.

Zoals Paul Schollaert schrijft: “Geloven is leven van de voortdurende wisselwerking en wederzijdse beïnvloeding van het credo van de kerk, ons aangereikt, en het eigen levenscredo, te ontdekken in het diepste van ons hart”. Onze ervaringen zijn misschien minder sterk, onze opgave voor Jezus is ook minder uitgesproken. Maar door genade van het geloof dat we mochten ontvangen, is ook aan ons is gevraagd om te verkondigen dat “Christus is gestorven voor onze zonden”. “Hij is begraven en Hij is opgestaan”. Laten we, als zondaars, de vreugde van Jezus barmhartigheid en glorie van zijn verrijzenis ook in ons dagelijks gebed belijden. In woorden en daden voor elkaar, voor onze medemens en voor Gods wereld waar we een klein deeltje van mogen uitmaken.

Laten we nu dit samen meer bewust dan ooit verkondigen in onze geloofsbelijden

 

Mia naar Aurelija