Artikelindex

 

 

VIERENTWINTIGSTE ZONDAG doorheen het JAAR

'Wie zeggen de mensen'?

Na een paar jaren van rondtrekken en onderrichten, beseft Jezus dat hij de zaken stilaan duidelijk moet gaan stellen. Hij voelt aan dat Hij op een cruciaal  moment in zijn zending gekomen is: Hij kan niet blijven opleggen om zijn genezingen stil te houden. Hij stuit ook herhaaldelijk op het onbegrip van zijn leerlingen en Hij weet dat de leidende kringen Hem scherp in het oog houden. Daarom wil Hij  te weten komen hoe zijn boodschap overkomt, en dat is tegelijk een test. Op onze dagen zou Hij gebruik kunnen maken van de sociale media, maar Hij houdt het hier bij een beperkte peiling. Geen populariteitspeiling om daarop zijn carrière verder uit te bouwen zoals dat vandaag in de politiek gaat. Nee, een simpele vraag aan zijn leerlingen: 'Wie zeggen de mensen dat Ik ben'?

En zoals verwacht: er volgen uiteenlopende antwoorden. De persoonlijke ervaringen met Jezus spelen daarin mee: gaat het om een Farizeeër die al terechtgewezen was, of de honderdman die al tevreden was met een zegening op afstand voor zijn zieke kind, of om de vrouw bij de waterput wier levensloop door Jezus doorzien werd. Of misschien de overspelige vrouw voor wie alles al klaar lag om haar te stenigen. Telkens gaat het dan om ervaringen die getekend zijn door eigen betrokkenheid, en  dus niet vrijblijvend. Maar Jezus had wat anders op het oog. Hij voelde aan dat het tijd werd om duidelijkheid te  scheppen over zijn zending.  Vandaar zijn vraag: en jullie, wie denken jullie dat Ik ben?

Petrus levert hierop een schot in de roos. Hij noemt Hem 'Messias', Gezalfde. Iemand die God zal doen heersen, een einde  zal maken aan de Romeinse verdrukking en een koninkrijk van vrede en gerechtigheid zal vestigen.

Jezus beseft dat Hij hier moet afremmen, Net zoals bij eerdere genezingen verbiedt Hij hierover te spreken. Hij vreest inderdaad dat men Hem als een wereldse machthebber zal gaan zien en dat klopt niet met zijn opvatting over zijn opdracht. Nee, Hij wil  duidelijkheid, al zal dat allicht ook veel onbegrip oproepen. 

Hijzelf spreekt niet over de Messias, maar Hij verwijst naar de profeten zoals Jesaja, die we in de eerste lezing gehoord hebben. Zelf neemt Hij het woord 'Mensenzoon' in de mond, iemand die vooral mens is met de mensen. De mens zoals God hem droomt, zoals God hem wil, waarin God zijn vreugde vindt. De weg die Hem aan de macht gaat brengen is niet die van wapen- of ander geweld, maar die van pijn en lijden,  de weg van het kruis dat we in elke eucharistie gedenken.  

Maar dat is voor Petrus een brug te ver. Die gaat er van uit dat je op zo'n manier   toch geen samenleving van vrede kunt opbouwen! Daarvoor heb je een sterkere aanpak nodig! Maar Jezus noemt hem “satan', net zoals de verleider die Hij destijds wegjoeg in de woestijn. Hij verdraagt niet dat wie dan ook Hem zou doen afwijken van de moeilijke weg die Hij gekozen heeft en zoals de Vader het Hem vraagt. Maar dat is wel een weg die leidt naar uiteindelijke bevrijding van alles wat op ons kan drukken.

Of we nu willen of niet: de vraag aan de leerlingen komt ook op  ons af: voor wie houden wij Hem? Al 20 eeuwen  lang zijn mensen op zoek naar het antwoord.

En dat is mee bepaald door de eigen ervaringen, de levensomstandigheden, de tijd waar in wij leven, door de eigen levenskeuze ook.

In de tweede lezing zegt Jacobus ons dat geloof zonder daden niet volledig is: ons geloof moet handen en voeten hebben. Hoe zullen wij die weg van de nieuwe mens bewandelen? Hoe kunnen wij liefhebben zoals Hij? Die mooie evangelieverhalen, oriënteren die ook effectief ons  leven?  Een weg van altijd kunnen vergeven geen revanchegedachten, volle aandacht voor medemensen, vooral kleinen en zwakken? 

En wat betekent dan ons kruis opnemen?We weten  dat Marcus zijn evangelie schreef in een periode waarin christenen vervolgd werden. Van niemand wordt verwacht dat hij het lijden  gaat opzoeken, wel kan het gaan om het lijden dat op ons afkomt, ons overvalt...een ongeluk, tegenslag, ziekte, handicap, onze eigen beperktheid...

Misschien moeten we toegeven dat we, net zoals de apostelen, Hem niet altijd kunnen aanvaarden zoals Hij is? Dat we geen profeet willen die veel lastige eisen stelt, maar dat we eerder een God verwachten die altijd klaar staat en in alle omstandigheden  voor ons zorgt?

Dat laatste is ook zo, maar misschien gaan we dat maar echt begrijpen als we eerst zoals Jesaja in vertrouwen kracht gaan zoeken bij Hem. Vertrouwen in de Heer die ons ontrukt aan de dood, zoals we in de antwoordpsalm gezongen hebben; een vertrouwen dat geloof in verrijzenis inhoudt, de wetenschap dat er altijd hoop is en dat we hoe dan ook in Gods handen leven, zoals psalm 121  het uitdrukt: 'De Heer is bezorgd om uw komen en gaan, op deze dag en altijd'.

 

Bert Taymans